Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
17 maart 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het feitelijk leidinggeven aan schijnverkopen van prepaid telefoonkaarten, waarbij de omzetbelasting onjuist werd opgegeven door te doen alsof de verkoop aan een buitenlands bedrijf plaatsvond, terwijl de afnemers in Nederland gevestigd waren. De verdachte werd door het hof veroordeeld wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting in de periode juli 2003 tot en met april 2004.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van de verdachte behandeld. Het cassatiemiddel richtte zich tegen de bewezenverklaring van het hof, met name tegen het oordeel dat de rechtspersoon te lage bedragen aan belasting had opgegeven. De Hoge Raad verwijst naar een samenhangende zaak (ECLI:NL:HR:2020:374) waarin de gronden voor vernietiging nader zijn toegelicht.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof niet kan blijven staan en dat de overige middelen geen bespreking behoeven. Omwille van doelmatigheid doet de Hoge Raad de zaak zelf af en spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde. Hiermee wordt bevestigd dat onvoldoende bewijs bestaat voor het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting.
Uitkomst: De Hoge Raad spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde wegens onvoldoende bewijs van opzet bij BTW-fraude.