Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
Het hof heeft, gelet op het onherroepelijke oordeel van de belastingrechter (gerechtshof ’s‑Hertogenbosch 2 juli 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BO1714), terecht tot uitgangspunt genomen dat de verkoop van multi-purpose telefoonkaarten volgens de destijds geldende regelgeving was vrijgesteld van omzetbelasting. Daaruit volgt dat de verdachte over deze verkoop - los van het antwoord op de vraag of een deel van de door de verdachte verkochte telefoonkaarten inderdaad bestemd was voor een in België gevestigde koper - geen omzetbelasting in rekening behoefde te brengen. Daarvan uitgaande kunnen de door het hof vastgestelde feiten het oordeel dat in de in de bewezenverklaring bedoelde aangiften een te laag bedrag aan in aanmerking te nemen belasting is vermeld, niet dragen. De vaststelling dat in de aangiften ter zake van een (ander) deel van de door de verdachte verkochte telefoonkaarten wel een bedrag aan af te dragen omzetbelasting is vermeld volstaat daartoe immers niet, ook niet in samenhang met de omstandigheid dat door de verdachte over de inkoop van telefoonkaarten betaalde omzetbelasting in zijn aangiften in vooraftrek is gebracht.
3.Slotsom
4.Beslissing
17 maart 2020.