Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
2..Beoordeling van het middel
3..Beslissing
6 maart 2020.
Hoge Raad
Betrokkene heeft cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland betreffende een voorlopige machtiging op grond van de Wet Bopz. Deze procedure volgt op een eerdere beschikking van de Hoge Raad van 24 mei 2019, waarin de zaak werd verwezen wegens het ontbreken van de handtekening van de psychiater onder de geneeskundige verklaring.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend, terwijl de advocaat van betrokkene schriftelijk heeft gereageerd op de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal, die tot verwerping van het cassatieberoep strekte.
De Hoge Raad heeft de klachten van betrokkene beoordeeld, maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank. De Hoge Raad heeft geen motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van betrokkene verworpen en de beschikking in stand gelaten. De uitspraak is gedaan door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Kroeze, Sieburgh en in het openbaar uitgesproken door du Perron.
Uitkomst: Het cassatieberoep van betrokkene is verworpen en de beschikking van de rechtbank blijft in stand.