Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
14 januari 2020.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 november 2018. Echter heeft de verdachte geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn en door een raadsman, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en geoordeeld dat het beroep niet ontvankelijk is omdat het voorschrift niet is nageleefd.
Hierdoor is het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard en is het arrest van het gerechtshof in stand gebleven. De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 14 januari 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.