Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
2.Uitgangspunten en feiten
Artikel 1
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.Beslissing
13 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft de afwikkeling van het periodiek verrekenbeding uit huwelijkse voorwaarden tussen de man en vrouw na hun echtscheiding. Centraal staat de wijze waarop het bedrag van overgespaard inkomen moet worden begroot en de vraag of het stamrecht van de man tot verrekening behoort.
De Hoge Raad bevestigt dat er geen vaste regels zijn voor de begroting van het te verrekenen bedrag en dat de rechter een methode mag kiezen die past bij de omstandigheden. Het hof had de periode tussen huwelijk en peildatum verdeeld in tijdvakken om investeringen uit overgespaard inkomen in de onroerende zaak te berekenen, wat de Hoge Raad niet onbegrijpelijk acht.
Ten aanzien van het stamrecht oordeelt de Hoge Raad dat dit pas als overgespaard inkomen voor verrekening in aanmerking komt zodra het stamrecht tot uitkering is gekomen. Dit oordeel is niet onjuist en sluit aan bij de uitleg van het verrekenbeding volgens de Haviltex-maatstaf.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de man en het incidentele beroep van de vrouw, en bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het stamrecht is pas verrekenbaar zodra het tot uitkering komt.