Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
14 januari 2020.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar heeft geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte. De Hoge Raad oordeelt dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet is nageleefd, waardoor de verdachte niet in het beroep kan worden ontvangen.
De Hoge Raad verklaart daarom de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering. De uitspraak werd gedaan tijdens een openbare terechtzitting op 14 januari 2020.
Er is geen inhoudelijke beoordeling van de zaak gegeven omdat het beroep niet ontvankelijk werd verklaard wegens procedurele tekortkomingen.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.