Uitspraak
1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Nadien heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Aangezien de wet daartoe niet de mogelijkheid biedt, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.
Hoge Raad
Belanghebbende, een vennootschap onder firma, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over naheffingsaanslagen omzetbelasting voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2012. Na behandeling van de zaak door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarbij uitspraak werd gedaan op 12 juli 2019, richtte belanghebbende een cassatieberoep tot de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep inhoudelijk getoetst en daarbij ook het advies van de procureur-generaal betrokken. Belanghebbende diende nog een aanvullend geschrift in, maar de Hoge Raad wees dit buiten beschouwing omdat de wet dit niet toestaat. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep duidelijk niet kon slagen.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie maakte de Hoge Raad gebruik van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren. Daarnaast zag de Hoge Raad geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbende op te leggen.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier op 13 maart 2020.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 80a RO.