Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
13 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de erfgrens tussen twee percelen, waarbij een tegelmuur en later een schutting als afscheiding dienden. De eiser vorderde verplaatsing van de schutting en eigendom door verjaring van de grond onder de muur. Het hof had geoordeeld dat de erfgrens aan de buitenzijde van de tegelmuur lag en dat de verweerders door verkrijgende verjaring eigenaar waren geworden van de grond onder de muur.
De Hoge Raad stelt vast dat het wettelijk vermoeden van art. 5:36 BW Pro inhoudt dat het midden van de afscheiding de erfgrens vormt, tenzij tegenbewijs wordt geleverd. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom dit vermoeden is weerlegd, mede gelet op de kadastrale meting die het tegendeel suggereert. Ook het oordeel dat door verjaring eigendom is verkregen, is zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de verweerders in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.