Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
7 april 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de door de verdachte afgeleverde stookolie als gevaarlijke afvalstof kan worden aangemerkt in de zin van de Wet milieubeheer. De verdachte, een rechtspersoon, werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 10.37.1 van de Wet milieubeheer.
De verdachte stelde in cassatie diverse middelen aan de orde, waaronder de kwalificatie van de stookolie als afvalstof, het opzet van de verdachte en de strafmotivering. De Hoge Raad verwees in zijn arrest naar een gelijktijdig gewezen arrest (ECLI:NL:HR:2020:433) voor de beantwoording van de afvalstofvraag en oordeelde dat de klachten niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.
De Hoge Raad benadrukte dat het niet nodig was om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van de verdachte voor opzettelijke overtreding van milieuregels.