Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van het vijfde middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Beslissing
24 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die is veroordeeld voor deelname aan een terroristisch trainingskamp in Syrië en het verwerven van kennis en vaardigheden om terroristische misdrijven te plegen. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte tussen januari en augustus 2013 in Syrië verbleef, deelnam aan een militair trainingskamp van de rebellengroep Maghlis Shura Mujahideen en daadwerkelijk heeft deelgenomen aan gewapende strijd.
De Hoge Raad bevestigt dat artikel 134a Sr strafbaar stelt het zich of een ander verwerven of bijbrengen van kennis en vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf. De training moet ruim worden geïnterpreteerd als het opdoen van kennis of vaardigheden, en het hof heeft voldoende vastgesteld dat de verdachte daaraan heeft deelgenomen. Het middel dat concrete kennis of vaardigheden moeten worden aangetoond, wordt verworpen.
Verder is geoordeeld dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, wat leidt tot vermindering van de gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden naar vijf jaar en vier maanden. De overige middelen worden verworpen. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest uitsluitend voor de strafduur en vermindert deze, terwijl het cassatieberoep voor het overige wordt afgewezen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijf jaar en vier maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; de veroordeling voor deelname aan een terroristisch trainingskamp blijft in stand.