Conclusie
Nummer19/02121
eerstemiddel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou niet (zonder meer) blijken dat de verdachte ten tijde van de onder A bedoelde gedragingen en handelingen reeds het oogmerk had de tenlastegelegde misdrijven te plegen. De overwegingen van het hof zouden niet uitsluiten dat de verdachte die gedragingen heeft verricht op een moment waarop het tenlastegelegde en bewezenverklaarde oogmerk ontbrak of onvoldoende aanwezig was.
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
[verdachte]
(BFK, bedoeld zal zijn 21:42:32)uur een gesprek gevoerd in de [b-straat] te [plaats] .
Bewijsmotivering
Bespreking van het eerste middel
Er kan dus niet bewezen worden dat het oogmerk van verdachte op het plegen van terroristische misdrijven al aanwezig was op het moment dat hij zich het radicale extremistische gedachtegoed eigen maakte. Op grond hiervan wordt verdachte vrijgesproken van dit onderdeel."’
deelnemenaan een terroristisch trainingskamp geeft zij uitvoering aan deze motie. [10]
meewerkenaan training voor terrorisme heeft volgens de memorie van toelichting een internationale achtergrond. [11] Zij geeft in zoverre uitvoering aan de verplichtingen die voortvloeien uit art. 7 van Pro het Verdrag van Warschau. [12] Dat artikel verplicht tot het strafbaar stellen van ‘training voor terrorisme’. Daaronder wordt volgens de Nederlandse vertaling verstaan ‘het geven van instructie voor het vervaardigen of gebruiken van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke of gevaarlijke stoffen, of voor andere specifieke methoden of technieken, met als doel het plegen van of bijdragen aan het plegen van een terroristisch misdrijf, in de wetenschap dat beoogd wordt de verstrekte vaardigheden daarvoor in te zetten’. Onder de terroristische misdrijven waar niet voor getraind mag worden vallen ingevolge dit verdrag niet alleen de ernstigste terroristische misdrijven, waarbij art. 96, tweede lid, Sr van overeenkomstige toepassing is verklaard. Mede tegen die achtergrond is voor een zelfstandige strafbaarstelling in art. 134a Sr gekozen. [13] Art. 134a Sr is derhalve verwant aan art. 96, tweede lid, Sr. Dat volgt ook uit de delictsomschrijving, waarin het zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen tot nader omschreven misdrijven centraal staat. Een uitbreiding lijkt vervat in het zich kennis of vaardigheden verwerven of een ander bijbrengen. Maar die passage is vooral opgenomen omdat twijfel kan bestaan of deze gedragingen al onder het zich verschaffen van inlichtingen begrepen kunnen worden. [14]
CDA-fractie of deelname aan een kamp, vergelijkbaar met het door deze leden gememoreerde kamp, strafbaar zou kunnen zijn op grond van de voorgestelde strafbepaling kan in haar algemeenheid niet beantwoord worden. Dit hangt steeds af van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij dient steeds bewezen te worden dat betrokkene kennis en vaardigheden wil verwerven om een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf te plegen’ (p. 5).
tothet plegen van een terroristisch misdrijf». Het enkel volgen van een taalopleiding, ook al blijkt anderszins van mogelijke terroristische sympathieën, zal niet snel te kwalificeren zijn als «deelneming aan een terroristische training». Dit kan bijvoorbeeld anders liggen wanneer, ter uitvoering van een groter plan, specifieke, technische begrippen in een onbekende taal worden getraind. Te denken valt bijvoorbeeld aan het verwerven van kennis over termen die de luchtverkeersleiding hanteert, ter voorbereiding van een op een bepaalde luchthaven uit te voeren terroristische kaping’ (p. 4).
Teevenwilde vernemen of voor strafbaarheid is vereist dat reeds op het moment van de trainingsactiviteiten het terroristisch oogmerk bij betrokkene bestaat. In antwoord daarop kan ik aangeven dat op het moment waarop iemand een training volgt tot het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan, het terroristisch oogmerk van de cursist nog niet volledig uitgekristalliseerd behoeft te zijn ten aanzien van elk element van het terroristisch oogmerk, als omschreven in artikel 83a Sr. In dit verband kan een vergelijking worden gemaakt met artikel 46 Sr Pro, de strafbare voorbereiding. Ook daar geldt dat voor strafbaarheid slechts de contouren van het voor te bereiden misdrijf zichtbaar moeten zijn’ (p. 5)
Teeven(VVD): Ik dank de minister voor zijn brief van dit weekend waarin hij dit nog eens uiteen heeft gezet. Zou de trainer van wie sprake is in het voorbeeld, in zijn optiek ook een vorm van voorwaardelijke opzet kunnen hebben? Dat wil zeggen dat hij het niet weet, maar dat hij zich schuldig maakt aan een variant van voorwaardelijke opzet door deze training te organiseren en geen navraag te doen naar de doelstellingen bij degenen aan wie hij de training geeft, kortom dat hij zijn onderzoeksplicht niet voltooit. Is dat naar het oordeel van de minister in dit verband ook mogelijk?
Hirsch Ballin: Het antwoord op die vraag is in principe ja, maar zoals bekend, zijn de vereisten in de jurisprudentie voor de voorwaardelijke opzet stevig. Met inachtneming van de jurisprudentiële condities voor de toepassing van de bepaling over voorwaardelijke opzet is het antwoord ja.’ [24]
CDAstelden een vraag over de delictsomschrijving van het in kamerstuk 31 386, A opgenomen artikel 134a Sr. Deze leden vroegen of de voorgestelde strafbaarstelling – anders dan door mij in de nota naar aanleiding van het verslag werd aangegeven – niet toch een dubbel opzetvereiste omvat, te weten dat zowel de opzet op de delictsomschrijving zelf als de opzet die besloten ligt in het begrip «terroristisch misdrijf» moet worden aangetoond. In dit verband vroegen deze leden om een nadere toelichting op de voorgestelde delictsomschrijving. Zij vroegen tevens om daarbij het vraagstuk van voorwaardelijk opzet te betrekken.
voorwaardelijkopzet omtrent het criminele doel van de training minder goed voorstelbaar. Het is immers niet goed voorstelbaar dat degene die opzettelijk kennis of vaardigheden verwerft tot het plegen van een terroristisch misdrijf zelf niet in de wetenschap verkeert dat hij beoogt die vaardigheden in te zetten voor het plegen van een terroristisch misdrijf. In dat geval is dus sprake van opzet.
BFK: waarop) het tenlastegelegde en bewezenverklaarde oogmerk ontbrak of onvoldoende aanwezig was’.
tweedemiddel klaagt over de schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in cassatie.