ECLI:NL:HR:2020:467

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2020
Publicatiedatum
18 maart 2020
Zaaknummer
19/03552
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Wet WOZArt. 24 lid 3 Wet WOZArt. 1:2 AwbArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurder heeft procesbelang bij op zijn naam gestelde WOZ-beschikking

Belanghebbende, huurder van een woning die via een besloten vennootschap aan hem ter beschikking is gesteld, ontving een WOZ-beschikking op zijn naam. Hij maakte bezwaar tegen deze beschikking, maar dit bezwaar werd door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang. De Rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat de WOZ-waarde geen basis vormt voor gemeentelijke heffingen aan belanghebbende en dat de bijtelling voor de inkomstenbelasting niet op een wettelijke grondslag berust.

De Hoge Raad heeft dit oordeel vernietigd. Uit de Awb volgt dat belanghebbende degene is wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken, en dat dit in beginsel de geadresseerde van het besluit is. Artikel 24, lid 3, Wet WOZ verplicht de heffingsambtenaar om ook de gebruiker van een onroerende zaak een beschikking toe te zenden, maar niet noodzakelijkerwijs een beschikking ten aanzien van die gebruiker te nemen indien deze geen belang heeft.

De Hoge Raad bevestigt dat degene aan wie een WOZ-beschikking is bekendgemaakt een belang heeft bij die beschikking. Daarom had het bezwaar van belanghebbende niet niet-ontvankelijk verklaard mogen worden. De uitspraak op verzet wordt vernietigd en de Rechtbank moet het onderzoek voortzetten. Het College van B&W wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht vergoeden.

Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de huurder een procesbelang heeft bij de op zijn naam gestelde WOZ-beschikking en vernietigt de uitspraak die het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/03552
Datum20 maart 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER VAN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DEN HAAG
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 13 juni 2019, nr. SGR 18/6871 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 4 februari 2019 betreffende een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2018 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] . De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende is bewoner van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning). De woning wordt gehuurd door een besloten vennootschap waarin belanghebbende alle aandelen houdt en wordt aan belanghebbende ter beschikking gesteld.
2.1.2
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een op zijn naam gestelde beschikking uitgereikt als bedoeld in artikel 22 Wet Pro waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) waarin de waarde van de woning voor het jaar 2018 is vastgesteld op € 665.000.
2.1.3
Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang.
2.2
Bij de Rechtbank was in geschil of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
2.3.1
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de WOZ-waarde voor belanghebbende geen basis vormt voor een aan hem opgelegde gemeentelijke heffing, en dat de op de WOZ-waarde gebaseerde bijtelling bij het inkomen voor de inkomstenbelasting niet is gebaseerd op enige wettelijke bepaling. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard, aldus de Rechtbank.
2.3.2
Het eerste middel betoogt dat de enkele ontvangst van een op naam gestelde WOZ-beschikking impliceert dat de ontvanger van die beschikking een procesbelang heeft.
2.4.1
Belanghebbende bij een beschikking is degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (artikel 1:2 Awb Pro). Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 1:2 Awb Pro volgt dat daarbij in de eerste plaats moet worden gedacht aan de geadresseerde van het besluit [1] , dat wil zeggen degene tot wie het besluit is gericht.
2.4.2
Artikel 24, lid 3, Wet WOZ bepaalt dat een beschikking als bedoeld in artikel 22 Wet Pro WOZ wordt bekendgemaakt aan zowel degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht (artikel 24, lid 3, letter a, Wet WOZ) als aan degene die aan het begin van het kalenderjaar de onroerende zaak al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt (artikel 24, lid 3, letter b, Wet WOZ). Opmerking verdient dat deze bepaling de heffingsambtenaar niet verplicht om een beschikking als bedoeld in artikel 22, lid 1, Wet WOZ te nemen te aanzien van een gebruiker als bedoeld in artikel 24, lid 3, letter b, Wet WOZ indien die gebruiker geen belang heeft bij die beschikking. De heffingsambtenaar kan volstaan met het toezenden van een afschrift van de beschikking die is genomen ten aanzien van de gerechtigde als bedoeld in artikel 24, lid 3, letter a, Wet WOZ.
2.4.3
Zoals de Hoge Raad eerder heeft geoordeeld dient te worden aangenomen dat eenieder aan wie een te zijnen aanzien genomen WOZ-beschikking bekend is gemaakt, bij die beschikking en dus bij de daarin vastgestelde waarde een belang heeft. [2] De heffingsambtenaar had het bezwaar van belanghebbende tegen de te zijnen aanzien genomen beschikking dus niet niet-ontvankelijk mogen verklaren wegens het ontbreken van belang. De uitspraak op verzet kan niet in stand blijven.
2.4.4
Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak op verzet,
- verklaart het verzet tegen uitspraak van de Rechtbank van 4 februari 2019 gegrond,
- verstaat dat die uitspraak vervalt en dat de Rechtbank het onderzoek voortzet in de stand waarin het zich bevond,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 128, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.100 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2020.

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 1988/89, 21221, nr. 3, blz. 32.
2.HR 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2656.