Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
7 april 2020.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor smaad door het verzenden van anonieme brieven aan werkgevers van drie benadeelden, met beschuldigingen die de eer en goede naam van deze personen aantastten. Het hof stelde dat de verdachte handelde met het kennelijke doel om aan deze beschuldigingen ruchtbaarheid te geven, zoals bedoeld in artikel 261 lid 1 Sr Pro.
De Hoge Raad herhaalt de uitleg dat 'ruchtbaarheid geven' betekent het ter kennis brengen aan een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden, waarbij ook het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven kan bestaan als de mededeling aan slechts één persoon wordt gedaan. Het hof had geoordeeld dat de brieven aan de directies van de werkgevers waren gericht en dat het niet aannemelijk was dat deze vertrouwelijk zouden worden behandeld.
Echter, de Hoge Raad oordeelt dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte met het kennelijke doel handelde om ruchtbaarheid te geven, mede omdat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd in hoeverre van de directies discretie mocht worden verwacht omtrent de ontvangen informatie. De enkele vaststelling dat de brieven ook met stafleden werden besproken is onvoldoende om het kennelijke doel aan te nemen.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling en afdoening.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.