Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
7 april 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 maart 2019, waarin de verdachte werd veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs. De verdachte stelde onder meer dat het hof ten onrechte volstond met een opsomming van bewijsmiddelen zonder de aan die bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden te vermelden, en dat het hof in strijd met artikel 359 lid 6 Sv Pro geen motivering gaf voor de keuze van de vrijheidsbenemende straf.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, waarop de raadsman van de verdachte schriftelijk had gereageerd.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en daarmee het arrest van het hof bevestigd. De opgelegde straf betrof een voorwaardelijke hechtenis van één week. Het arrest is uitgesproken op 7 april 2020 door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor rijden zonder rijbewijs met een voorwaardelijke hechtenis van één week blijft in stand.