ECLI:NL:HR:2020:562

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 april 2020
Publicatiedatum
31 maart 2020
Zaaknummer
19/00249
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslag BPM

Belanghebbende, een B.V., was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM). Na een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant en een hoger beroep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, stelde belanghebbende cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van de uitspraak van het hof kunnen leiden. Omdat de klachten niet relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, is geen nadere motivering vereist volgens artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Advocaat-Generaal had eerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep. De Hoge Raad volgt dit advies en ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is op 3 april 2020 in het openbaar gewezen door de vice-president en raadsheren van de belastingkamer.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/00249
Datum3 april 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 december 2018, nr. 18/00105, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 16/3567) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 25 september 2019 geconcludeerd tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie. [1]

2.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2020.