ECLI:NL:HR:2020:603

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2020
Publicatiedatum
3 april 2020
Zaaknummer
19/02078
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 342 lid 2 SvArt. 244 Sr (oud)
Verwijzingen
6 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in zedenzaak wegens klachten over bewijsminimum en strafmotivering

In deze zaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch in een zedenzaak. De klachten van de verdachte betroffen onder meer het bewijsminimum, met verwijzing naar het unis testis-criterium en artikel 342 lid 2 Sv Pro, alsmede de vermeende denaturering van zijn verklaring en de strafmotivering door het hof.

De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat zij niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de gronden van dit oordeel nader te motiveren, omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals bedoeld in artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal was om het beroep te verwerpen, hetgeen de Hoge Raad heeft gevolgd. Hiermee blijft het arrest van het hof ongewijzigd in stand en is het cassatieberoep van de verdachte verworpen.

Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren van den Brink en van Strien, uitgesproken in openbare terechtzitting op 7 april 2020.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is verworpen, waardoor het hofarrest in stand blijft.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/02078
Datum7 april 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 april 2019, nummer 20/000202-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 april 2020.