Belanghebbende, een fiscale eenheid bestaande uit een zorginstelling die multidisciplinaire ketenzorg organiseert en coördineert, had geen omzetbelasting voldaan over de overheadcomponent van de ontvangen vergoedingen van zorgverzekeraars. De Inspecteur legde naheffingsaanslagen op omdat deze overheadkosten volgens hem niet onder de medische vrijstelling vallen.
Het Hof oordeelde dat de overheadcomponent niet kwalificeert als gezondheidskundige verzorging en derhalve niet is vrijgesteld van omzetbelasting. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat voor toepassing van de medische vrijstelling niet vereist is dat de dienstverlener een directe rechtsbetrekking met de patiënt heeft, maar dat de dienst zelf een therapeutisch doel moet hebben of een wezenlijk, inherent en onafscheidbaar deel moet zijn van een therapeutisch procedé.
De organisatie en coördinatie van ketenzorg, hoe wenselijk ook, vormen geen inherent deel van gezondheidskundige behandeling en zijn daarom niet vrijgesteld. De overige klachten van belanghebbende faalden eveneens. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelt niet in proceskosten.