Uitspraak
1.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam werd behandeld. Het geschil betrof een verzoek om een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.
De Hoge Raad heeft de aangevoerde klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Verder heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Het arrest is op 17 april 2020 in het openbaar uitgesproken door de Hoge Raad, onder voorzitterschap van vice-president G. de Groot en aanwezigheid van raadsheren en griffier.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam.