Uitspraak
1.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam heeft een conclusie van dupliek ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende was in 2015 medegerechtigd tot het erfpachtrecht van een onroerende zaak in Amsterdam. De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam stuurde de WOZ-beschikking voor dat jaar aan de mede-erfpachter, maar weigerde de beschikking aan belanghebbende te verstrekken. Hiertegen voerde belanghebbende bezwaar, beroep en hoger beroep, maar zonder succes.
De Hoge Raad overwoog dat de weigering van de heffingsambtenaar onterecht was, mede gelet op het arrest met nummer 19/03960 dat op dezelfde dag werd uitgesproken. De eerdere uitspraken van het Hof, de Rechtbank en de heffingsambtenaar werden vernietigd. De heffingsambtenaar werd opgedragen om alsnog een voor bezwaar vatbare WOZ-beschikking aan belanghebbende te verstrekken.
Daarnaast werden het college van burgemeester en wethouders en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten, waaronder vergoeding van griffierechten en kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De zaak maakt deel uit van een samenhangende reeks vergelijkbare procedures tegen de gemeente Amsterdam.
Het arrest werd uitgesproken door de Hoge Raad op 17 april 2020 en bevestigt het recht van mede-erfpachters op een eigen WOZ-beschikking, waarbij de gemeente niet zonder gegronde reden mag weigeren deze te verstrekken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de eerdere uitspraken en draagt de heffingsambtenaar op een WOZ-beschikking aan belanghebbende te verstrekken.