De Hoge Raad heeft op 17 januari 2020 het verzoek van Fair Play c.s. tot herstel of aanvulling van het arrest van 29 november 2019 afgewezen. In dat eerdere arrest had de Hoge Raad het cassatieberoep van Fair Play c.s. verworpen in geschillen met meerdere werknemers over de wijziging van arbeidsvoorwaarden.
Fair Play c.s. stelde dat niet alle cassatiemiddelen waren behandeld, met name de betekenis van instemming van de ondernemingsraad en het ontbreken van bezwaar van werknemers. De Hoge Raad oordeelde echter dat de eerdere overwegingen reeds impliciet deze punten omvatten en dat het hof terecht had geoordeeld dat het loonoffer voor de werknemers substantieel was en dat er geen bedrijfseconomische noodzaak bestond.
De Hoge Raad benadrukte dat bij een eenzijdig wijzigingsbeding de rechter moet afwegen of het belang van de werkgever zwaarder weegt dan het belang van de werknemer bij het behoud van de arbeidsvoorwaarde. In deze zaak was het belang van de werkgever niet zwaarwichtig genoeg om het loonoffer van de werknemers te rechtvaardigen.
Het verzoek tot herstel of aanvulling werd daarom afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Dit arrest bevestigt de strenge toetsing van eenzijdige wijzigingen van arbeidsvoorwaarden zonder bedrijfseconomische noodzaak.