Uitspraak
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
17 april 2020.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Deze zaak betreft de vraag of de rechter-commissaris binnen de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) bevoegd is om bij het vaststellen van het vrij te laten bedrag af te wijken van de daadwerkelijk betaalde zorgverzekeringspremies en een lager bedrag te hanteren. De schuldenares betaalde hogere premies dan het normbedrag van €135 per maand dat door de WSNP-bewindvoerder werd gehanteerd. Quitantie B.V., als beschermingsbewindvoerder, verzocht om rekening te houden met de hogere premies.
De rechter-commissaris wees dit verzoek af, stellende dat voor een hogere correctie de noodzaak van aanvullende verzekeringen aangetoond moest worden. De rechtbank Limburg handhaafde deze beslissing en nam daarbij de visie van de rechter-commissaris mee. De Hoge Raad oordeelt echter dat de rechter-commissaris niet bevoegd is om af te wijken van de wettelijke bepalingen die voorschrijven dat de volledige zorgverzekeringspremie moet worden meegenomen bij het bepalen van de beslagvrije voet.
De Hoge Raad stelt dat de rechtbank ten onrechte de rechter-commissaris heeft uitgenodigd om zijn visie te geven in hoger beroep en dat de discretionaire bevoegdheid van de rechter-commissaris niet strekt tot het negeren van de wettelijke verplichting tot volledige vergoeding van de zorgpremies. De beschikking van de rechtbank Limburg wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en bepaalt dat de rechter-commissaris niet bevoegd is om af te wijken van de volledige zorgverzekeringspremie bij vaststelling van het vrij te laten bedrag.