Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van het eerste, het derde en het vierde middel
4.Beoordeling van het vijfde middel
5.Beslissing
21 januari 2020.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een strafzaak betreffende vastgoedfraude. De verdachte werd verweten feitelijke leiding te hebben gegeven aan valsheid in geschrift en witwassen gepleegd door een rechtspersoon. Het hof had vastgesteld dat de samenwerkingsovereenkomst en aanvullende allonges tussen Bouwfonds en de rechtspersoon [A] B.V. valselijk waren opgemaakt om een deel van de winst aan betrokkenen te laten toekomen, terwijl dit werd verhuld voor Bouwfonds en derden.
Het bewijs bestond uit verklaringen van betrokkenen, schriftelijke bescheiden, en handelsregistergegevens. Het hof concludeerde dat de verdachte, als medebestuurder van [A], op het moment van het tekenen van de samenwerkingsovereenkomst wist van de doorbetalingsconstructies aan gelieerde bedrijven van een Bouwfonds-bestuurder. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onjuist had geoordeeld en dat de bewezenverklaring toereikend was gemotiveerd.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden door late aanlevering van stukken door het hof. Dit leidde tot vernietiging van het arrest voor zover het de strafoplegging betrof en vermindering van de gevangenisstraf van tien maanden naar negen maanden en twee weken. Het cassatieberoep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot negen maanden en twee weken wegens termijnoverschrijding, overige verweren werden verworpen.