ECLI:NL:HR:2020:76

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 januari 2020
Publicatiedatum
17 januari 2020
Zaaknummer
18/00585
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225.1 SrArt. 420bis.1.b SrArt. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in vastgoedfraudezaak

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte in een vastgoedfraudezaak waarbij hij werd veroordeeld voor feitelijke leiding geven aan valsheid in geschrift en witwassen door een rechtspersoon. Het hof had een gevangenisstraf van tien maanden opgelegd.

De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafhoogte, met vermindering naar een gebruikelijke maatstaf, en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot cassatie konden leiden, behalve het middel dat betrekking had op de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.

Dit middel werd gegrond verklaard omdat het hof de stukken te laat had ingezonden, wat een schending van artikel 6 EVRM Pro opleverde. De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat de strafhoogte betrof en verminderde de gevangenisstraf tot negen maanden en twee weken. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot negen maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/00585
Datum21 januari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 10 januari 2018, nummer 21/004059-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering van de hoogte daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste tot en met het achtste middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO - en wat betreft het tweede middel gelet op de gronden die zijn vermeld in het heden uitgesproken arrest in de zaak 18/00453 (ECLI:NL:HR:2020:75) - geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het negende middel

3.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van tien maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze negen maanden en twee weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 januari 2020.