ECLI:NL:HR:2020:766

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 april 2020
Publicatiedatum
20 april 2020
Zaaknummer
18/05577
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 457 lid 1 onder c SvArt. 470 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag tot herziening in zaak letsel door schuld in het verkeer

De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een vonnis van de rechtbank Rotterdam waarin de aanvrager werd veroordeeld voor het veroorzaken van letsel door schuld in het verkeer. De aanvrager stelde dat een nieuwe getuige verklaarde dat de motoragent voorafgaand aan het ongeval anders had gehandeld dan in de eerdere bewijsvoering was vastgesteld.

De nieuwe getuige stelde dat de motoragent de vrachtwagencombinatie van de aanvrager had ingehaald en vlak voor de vrachtwagen naar links was geschoten, wat niet werd bevestigd door andere getuigen of de objectieve gegevens uit het VOA-rapport. Ook de tachograaf- en snelheidsgegevens waren al bekend en uitgebreid besproken in het dossier.

De advocaat-generaal concludeerde dat deze nieuwe verklaring niet kan worden aangemerkt als een nieuw gegeven dat tot herziening kan leiden. De Hoge Raad volgde deze conclusie en oordeelde dat het nieuwe bewijs geen ernstig vermoeden wekt dat de rechtbank bij kennis daarvan tot een vrijspraak of minder zware straf zou zijn gekomen.

Daarom werd de aanvraag tot herziening afgewezen en bleef het oorspronkelijke vonnis in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af en bevestigt het oorspronkelijke vonnis.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/05577 H
Datum21 april 2020
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2018, nummer 10/710280-15, ingediend door P.A.M. van Hoef, advocaat te Venray,
namens
[aanvrager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de aanvrager.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De rechtbank heeft de aanvrager ter zake van overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van
2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf van 236 uren, subsidiair
118 dagen hechtenis, alsmede een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

2.De aanvraag tot herziening

2.1
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat uit de verklaring van de niet eerder gehoorde getuige, [betrokkene 1], blijkt dat de motoragent [slachtoffer] voorafgaand aan het ongeval – bestaande uit een aanrijding van de motor van de motoragent door de vrachtwagencombinatie van de aanvrager – anders heeft gehandeld dan blijkens de bewijsvoering is vastgesteld in de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd. Uit de verklaring van deze nieuwe getuige zou blijken dat – anders dan door de rechtbank is vastgesteld – de motoragent zich direct voorafgaand aan het ongeval niet steeds aan de voorzijde van de vrachtwagencombinatie van de aanvrager heeft bevonden. Ter staving van deze stelling is onder meer een e-mailbericht van 21 mei 2018 van [betrokkene 1] bijgevoegd, waarin zij verklaart te hebben gezien dat de motoragent direct voorafgaand aan het ongeval vanaf een naastgelegen rijstrook een snelle manoeuvre van rechts naar links voorlangs de vrachtwagencombinatie van de aanvrager heeft gemaakt en dat de motor vervolgens door de aanvrager “aan de zijkant achter” werd geraakt.

3.De conclusie van de advocaat-generaal

3.1
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag zal afwijzen.
3.2
De raadsman van de aanvrager heeft daarop schriftelijk gereageerd.

4.Beoordeling van de aanvraag

4.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, op grond van artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
4.2
Op de door de advocaat-generaal in zijn conclusie onder 9 tot en met 16 vermelde gronden kan het in de aanvraag aangevoerde niet worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv. De aanvraag is dus ongegrond en moet ingevolge artikel 470 Sv Pro worden afgewezen.

5.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier
E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 april 2020.