ECLI:NL:HR:2020:780

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 april 2020
Publicatiedatum
21 april 2020
Zaaknummer
18/04653
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake belasting van personenauto’s en motorrijwielen

Belanghebbende, VOF [X], heeft beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van het Gerechtshof Den Haag inzake een naheffingsaanslag en een voldaan bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De Staatssecretaris van Financiën en de Staat hebben verweer gevoerd. De Hoge Raad heeft de ingebrachte middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraken.

De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de gronden van het oordeel nader te motiveren, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Daarnaast heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen.

Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en op 24 april 2020 in het openbaar uitgesproken. Hiermee blijft de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag in stand.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard en de uitspraken van het Gerechtshof Den Haag blijven in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer18/04653
Datum24 april 2020
ARREST
in de zaak van
VOF [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraken van het Gerechtshof Den Haag van 12 oktober 2018, nrs. BK-18/00484 en BK-18/00483, op de hoger beroepen van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 17/3958 en SGR 17/3957) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen en een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraken van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraken. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2020.