Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
24 april 2020.
Hoge Raad
Deze zaak betreft de uitleg van de contractsvrijheid bij het sluiten van een huurovereenkomst voor geliberaliseerde woonruimte, specifiek met betrekking tot servicekosten en VvE-bijdragen.
De huurster had een zelfstandige woonruimte gehuurd tegen een totaalprijs van €1.500 per maand, waarvan een vast bedrag voor servicekosten en VvE-bijdragen. Zij vorderde terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen omdat de verhuurster geen afrekening had verstrekt en de VvE-bijdragen niet aan haar konden worden doorberekend.
De kantonrechter wees de vorderingen toe, maar het hof vernietigde dit en wees de vorderingen af, stellende dat bij geliberaliseerde huur de contractsvrijheid geldt en geen relatie met werkelijke kosten hoeft te bestaan. De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug, omdat het hof ten onrechte een te ruime contractsvrijheid aannam, onvoldoende onderzoek deed naar de aard van de VvE-bijdrage en de wettelijke verplichtingen uit art. 7:259 BW Pro verkeerd uitlegde.
De Hoge Raad benadrukt dat de betalingsverplichting voor servicekosten en nutsvoorzieningen moet samenhangen met werkelijke kosten en dat de verhuurder verplicht is tot specificatie. Tevens moet de rechter bij VvE-bijdragen onderzoeken of deze kosten servicekosten bevatten en zo ja, de redelijkheid toetsen. De uitspraak versterkt de wettelijke bescherming van huurders in de vrije sector.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.