Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
21 januari 2020.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. Echter heeft de verdachte niet binnen de wettelijk gestelde termijn door een raadsman schriftelijke middelen van cassatie ingediend, zoals vereist op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en geoordeeld dat het niet naleven van het voorschrift omtrent het tijdig indienen van middelen leidt tot niet-ontvankelijkheid.
De Hoge Raad heeft daarom de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.