Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
26 mei 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor moord op zijn ex-vrouw, waarbij hij haar 's nachts tijdens haar slaap bedwelmde met ether en vervolgens enkele minuten op haar gezicht kuste. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had verdachte eerder veroordeeld. Tegen dit arrest stelde verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De advocaat-generaal adviseerde het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie, omdat het beroep duidelijk niet kon slagen. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld en is het met dit advies eens.
Daarom heeft de Hoge Raad het cassatieberoep zonder inhoudelijke behandeling verworpen en niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het arrest van het gerechtshof in stand blijft en de veroordeling van verdachte definitief is.
Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien op 26 mei 2020 tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het hofarrest in stand blijft.