ECLI:NL:HR:2020:852

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2020
Publicatiedatum
11 mei 2020
Zaaknummer
18/01883
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 70 SrArt. 71 SrArt. 72 SrArt. 13.1 WWMArt. 311.1.5 Sr
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM wegens verjaring in zaak wapendelicten en diefstal

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem uit 2003, waarin verdachte bij verstek werd veroordeeld voor het voorhanden hebben van een veerdrukwapen, poging tot diefstal met braak en inklimming, vernieling en diefstal met braak en inklimming.

De Hoge Raad oordeelt dat het recht tot strafvordering voor deze feiten is verjaard. Voor het voorhanden hebben van het wapen geldt een verjaringstermijn van maximaal 12 jaar, die sinds 15 januari 2002 is verstreken. Voor de poging tot diefstal en diefstal met braak en inklimming geldt een absolute verjaringstermijn van 12 jaar, die op 5 juni 2015 is verstreken. Ook de vernieling is verjaard volgens de toepasselijke termijn van maximaal 12 jaar.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en de uitspraak van de politierechter en verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Tevens constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, maar verbindt daaraan geen rechtsgevolg.

De uitspraak is gewezen door vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens op 12 mei 2020.

Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van de strafvordering.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/01883
Datum12 mei 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het gerechtshof te Arnhem van 5 juni 2003, nummer 21/002891-02, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben Th.O.M. Dieben en G.A. Jansen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. G.A. Jansen heeft een aanvullende schriftuur ingediend. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak - behoudens voor zover daarbij het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Zwolle is vernietigd - en tot zodanige beslissing op de voet van art. 440 Sv Pro als het de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel voert aan dat het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.
2.2
Aan de verdachte is - zakelijk weergegeven - tenlastegelegd:
1. handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie;
2 primair. poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;
2 subsidiair. vernieling;
3. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.
2.3
Op de gronden vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal is het middel gegrond.
2.4
De Hoge Raad zal wat betreft alle feiten het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de overige cassatiemiddelen niet nodig.

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beslissing die hierna volgt, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. De Hoge Raad zal daarom met dat oordeel volstaan.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de politierechter in de rechtbank Zwolle van 19 augustus 2002;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 mei 2020.