ECLI:NL:PHR:2020:248

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2020
Publicatiedatum
16 maart 2020
Zaaknummer
18/01883
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 WWMArt. 55 WWMArt. 56 WWMArt. 70 SrArt. 71 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens verjaring van strafvordering voor wapendelicten en diefstal

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem bij verstek veroordeeld voor het bezit van een wapen van categorie I, poging tot diefstal met braak en diefstal met braak. De verjaringstermijn voor deze misdrijven bedraagt respectievelijk twaalf en zes jaar, vermenigvuldigd met twee vanwege de wettelijke regeling. De feiten vonden plaats in 2001 en 2002.

De Hoge Raad oordeelt dat sinds de dag na het gepleegde feit meer dan de dubbele verjaringstermijn is verstreken zonder dat een daad van vervolging is verricht die de verjaring heeft gestuit. De mededeling van het arrest aan de verdachte in 2018 kan niet als stuiting worden aangemerkt omdat er geen eerdere vervolgingsdaad in de twaalf jaar daarvoor was. Hierdoor is de strafvordering verjaard.

De Hoge Raad verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging en vernietigt het arrest van het hof, met uitzondering van het vonnis van de politierechter dat reeds vernietigd was. De tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf wordt daarmee ook beëindigd. De overige middelen van cassatie behoeven geen bespreking.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens verjaring en vernietigt het arrest van het hof Arnhem.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/01883
Zitting17 maart 2020

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.
1. Het gerechtshof te Arnhem heeft de verdachte bij arrest van 5 juni 2003 bij verstek wegens 1. “Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie”, 2. “Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming” en 3. “Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Tot slot heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden die de verdachte eerder voorwaardelijk was opgelegd.
2. De zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte met nummer 18/01884 P. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mrs. G.A. Jansen en Th.O.M. Dieben, beiden advocaat te Amsterdam, hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het
eerste middelbehelst de klacht dat het recht tot strafvordering van het openbaar ministerie ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten door verjaring is komen te vervallen.
5. Bij inleidende dagvaardingen [1] is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
“1. hij op of omstreeks 14 januari 2002 in de gemeente Deventer een wapen van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukwapen (pistool, merk Smith & Wesson Tactical Model P339), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;
2. hij in of omstreeks de periode van 05 januari 2002 tot en met 06 januari 2002 in de gemeente Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een clubgebouw aan de [a-straat] weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [A] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot dat gebouw te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, na een ruit van een deur te hebben vernield, dat pand is binnengegaan op zoek naar geld en/of goederen van zijn gading, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 05 januari 2002 tot en met 06 januari 2002 in de gemeente Deventer opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;
3. hij op of omstreeks 13 september 2001 te gemeente Deventer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening in/uit een (bedrijfs-/kantoor)pand (gelegen aan de [b-straat 1] ) heeft weggenomen twee, althans een of meerdere laptop(s)/computer(s) en/of een stroomvoorziening en/of een tas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [B] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader (s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.”
6. Ten laste van de verdachte heeft het hof hiervan bewezen verklaard dat:
“1. hij op 14 januari 2002 in de gemeente Deventer een wapen van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukwapen (pistool, merk Smith & Wesson Tactical Model P339), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen voorhanden heeft gehad;
2. hij in de periode van 05 januari 2002 tot en met 06 januari 2002 in de gemeente Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een clubgebouw aan de [a-straat] weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan [A] , en zich daarbij de toegang tot dat gebouw te verschaffen door middel van braak, en inklimming, na een ruit van een deur te hebben vernield, dat pand is binnengegaan op zoek naar geld en/of goederen van zijn gading, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3. hij omstreeks 13 september 2001 te Deventer met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een bedrijfspand gelegen aan de [b-straat 1] heeft weggenomen twee laptops en een stroomvoorziening en een tas toebehorende aan [B] en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming.”
7. De hier toepasselijke wettelijke bepalingen luiden, voor zover van belang, als volgt:
Art. 70, eerste lid, Sr:
“Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:
(…)
2° in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld;
3° in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld”
Art. 71 Sr Pro:
“De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd, (…).”
Art. 72 Sr Pro:
1. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde.
2. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van overtredingen na tien jaren en ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.
Art. 78 Sr Pro:
Waar van misdrijf in het algemeen of van enig misdrijf in het bijzonder gesproken wordt, wordt daaronder medeplichtigheid aan, poging tot en voorbereiding van dat misdrijf begrepen, voorzover niet uit enige bepaling het tegendeel volgt.
Art. 13, eerste lid, WWM:
Het is verboden een wapen van categorie I te vervaardigen, te transformeren, voor derden te herstellen, over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen, te vervoeren, te doen binnenkomen of te doen uitgaan.
Art. 55, eerste lid, WWM:
Met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die handelt in strijd met (…) artikel(…) 13, eerste lid, (…). [2]
Art. 56 WWM Pro:
(…) De in artikel 55 strafbaar Pro gestelde feiten zijn misdrijven.
Art. 311, eerste lid, Sr:
Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft:
(…)
4°. diefstal door twee of meer verenigde personen;
5°. diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels.
Art. 350, eerste lid, Sr:
Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
8. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) De inleidende dagvaarding van de verdachte in de zaak met parketnummer 07/830120-01 om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter in de arrondissementsrechtbank te Zwolle, zittinghoudende te Deventer, van 20 december 2001 is op 26 september 2001 aan de verdachte in persoon uitgereikt. [3] Het onderzoek ter terechtzitting is op die terechtzitting geschorst. De verdachte is vervolgens opgeroepen om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter in het arrondissement Zwolle van 23 mei 2002. Het onderzoek ter terechtzitting is toen wederom geschorst. In de zaak met parketnummer 07/480026-02 is de verdachte gedagvaard om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter in de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 2 mei 2002. Kennelijk is toen het onderzoek ter terechtzitting in die zaak ook geschorst. De verdachte is vervolgens in beide zaken opgeroepen om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter in het arrondissement Zwolle van 19 augustus 2002. De oproepingen van de verdachte zijn op 15 juli 2002 aan hem in persoon uitgereikt. [4]
(ii) De politierechter heeft de strafzaken tegen de verdachte op 19 augustus 2002 gevoegd waarbij de zaak met parketnummer 07/480026-02 de hoofdzaak is geworden. De politierechter heeft de verdachte bij vonnis van diezelfde datum veroordeeld. [5]
(iii) Op 2 september 2002 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de zaak met parketnummer 07/480026-02. [6]
(iv) Op 26 maart 2003 is getracht de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep in de zaak met parketnummer 21/002891-02 [7] van 21 maart 2003 om te verschijnen op de terechtzitting van het gerechtshof te Arnhem van 22 mei 2003 op het GBA-adres van de verdachte ([c-straat 1] te [plaats]) uit te reiken, maar de poging mislukte omdat op dat adres niemand aanwezig was. De dagvaarding is op 22 april 2003 aan de griffier van de rechtbank te Arnhem betekend en als gewone brief naar het adres van de verdachte verzonden. [8]
(v) Op de terechtzitting in hoger beroep van 22 mei 2003 is de verdachte niet verschenen en heeft het hof verstek verleend tegen de verdachte. [9]
(vi) Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 5 juni 2003 de verdachte bij verstek veroordeeld.
(vii) Op 27 maart 2018 is de verstekmededeling betreffende het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 5 juni 2003 aan de verdachte in persoon uitgereikt. [10]
(viii) Op 29 maart 2018 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof te Arnhem. [11]
(ix) Op 21 september 2018 is de aanzegging ex art. 435, eerste lid, Sv aan de verdachte in persoon uitgereikt. [12]
9. Het voorhanden hebben van een wapen van categorie I – zoals onder 1 aan de verdachte is ten laste gelegd – is verboden bij art. 13, eerste lid, WWM. Het handelen in strijd met dat verbod wordt in art. 55, eerste lid WWM bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden en wordt op grond van art. 56 WWM Pro in verbinding met art. 55 WWM Pro aangemerkt als een misdrijf.
10. Op grond van art. 70, eerste lid aanhef en onder 2°, in verbinding met art. 72, tweede lid, Sr bedraagt de verjaringstermijn in het onderhavige geval ten hoogste twee maal zes jaren.
11. Art. 71 Sr Pro bepaalt dat de termijn van verjaring aanvangt op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Sinds 15 januari 2002, de dag nadat het onder 1 ten laste gelegde zou hebben plaatsgevonden, zijn er meer dan twaalf jaren verstreken. Dat betekent dat het recht tot strafvordering ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde voorhanden hebben van een wapen van categorie I is verjaard. [13]
12. Het onder 3 ten laste gelegde betreft een diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, verbreking en/of inklimming. Het feit is strafbaar gesteld bij art. 311, eerste lid onder 4° en onder 5°, Sr en betreft een misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren is gesteld.
13. Op grond van art. 70, eerste lid aanhef en onder 3°, in verbinding met art. 72, tweede lid, Sr bedraagt de verjaringstermijn ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde ten hoogste twee maal twaalf jaren. Mede gelet op art. 78 Sr Pro, geldt hetzelfde voor de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.
14. Art. 72, eerste lid, Sr bepaalt dat elke daad van vervolging de verjaring stuit. Als een daad van vervolging in de zin van de genoemde bepaling is aan te merken een daad van of namens een justitiële autoriteit die erop gericht is tot een voor tenuitvoerlegging vatbare strafrechtelijke uitspraak te geraken. [14] Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het uitbrengen van de (appel)dagvaarding ter terechtzitting door het openbaar ministerie, de behandeling van de zaak op de terechtzitting, het veroordelend vonnis of arrest, de betekening van de verstekmededeling als bedoeld in artikel 366 Sv Pro en de betekening van de aanzegging in cassatie. [15] Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2006 van de wet van 16 november 2005,
Stb.595 (opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten) geldt niet meer de eis dat die daad de vervolgde bekend of betekend moet zijn.
15. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat gedurende twaalf jaren voorafgaand het doen van de mededeling van het arrest als bedoeld in artikel 366 Sv Pro aan de verdachte op 27 maart 2018 enige daad van vervolging is verricht. [16]
16. Dat betekent dat de in art. 70, eerste lid, aanhef en onder 3°, Sr bepaalde termijn van twaalf jaren op 5 juni 2015 is verstreken en dat het recht tot strafvordering ten aanzien van de onder 2 primair en 3 ten laste gelegde (poging tot) gekwalificeerde diefstal is komen te vervallen.
17. De onder 2 subsidiair ten laste gelegde vernieling (art. 350 Sr Pro) heeft volgens de tenlastelegging in of omstreeks de periode van 5 januari 2002 tot en met 6 januari 2002 plaatsgevonden. Op grond van art. 70, eerste lid aanhef en onder 2°, in verbinding met art. 72, tweede lid, Sr, geldt een absolute verjaringstermijn van ten hoogste twee maal zes jaren. Ook die termijn is verstreken.
18. Aangezien de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten zijn verjaard, dient de officier van justitie ook ter zake daarvan alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging. [17]
19. Het middel slaagt.
20. Het eerste middel is terecht voorgesteld. De andere middelen behoeven geen bespreking. Nu het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging en de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen, valt ook het doek voor de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf.
21. Ambtshalve heb ik (overigens) geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak – behoudens voor zover daarbij het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Zwolle is vernietigd – en tot zodanige beslissing op de voet van art. 440 Sv Pro als het de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Het gaat om de zaken met de parketnummers 07/480026-02 (feiten 1 en 2) en 07/830120-01 (feit 3). De (originele) dagvaarding in de zaak met parketnummer 07/480026-02 bevindt zich niet bij de stukken. Een kopie van de desbetreffende dagvaarding is als bijlage II aan het bestreden arrest gehecht.
2.Artikel 55, eerste lid, WWM luidde van 11 juli 1997 tot 1 februari 2006: “Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die handelt in strijd met (…) artikel (…) 13, eerste lid (…).”
3.Akte van uitreiking dagvaarding in de zaak met parketnummer 07/830120-01 van 26 september 2001.
4.Akte van uitreiking oproeping in de zaak met parketnummer 07/830120-01 van 15 juli 2002 en de akte van uitreiking oproeping in de zaak met parketnummer 07/480026-02 van 15 juli 2002.
5.Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank te Zwolle van 19 augustus 2002 waarin het mondeling vonnis is aangetekend.
6.De akte van hoger beroep van 2 september 2002. In het uittreksel van de justitiële documentatie van 20 juli 2018 staat dat er in zaak met parketnummer 07/830120-01 op 2 september 2002 een rechtsmiddel is aangewend.
7.In de dagvaarding staat vermeld dat het onder meer gaat om de zaken met de parketnummers 07/830120-01 en 07/48006-02.
8.De akte van uitreiking van 26 maart 2003.
9.Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 mei 2003.
10.De akte van uitreiking van mededeling uitspraak van 27 maart 2018.
11.De akte van beroep in cassatie van 29 maart 2018.
12.De akte van aanzegging/kennisgeving van 21 september 2018.
13.Vgl. HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:651, rov. 3.4.
14.Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1014,
15.Zie voor een opsomming van voorbeelden van daden van vervolging: de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 16 november 2005 (
16.Bij de stukken bevindt zich een e-mail van de afdeling Executie van het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden van 27 maart 2018 om 10.39 uur aan de politie waarin staat vermeld dat het gerechtshof te Arnhem uitspraak heeft gedaan in de zaken tegen de verdachte en dat de wet voorschrijft dat de executie van de opgelegde straffen of maatregelen niet gestart kan worden als de verdachte/veroordeelde niet op de hoogte is van de uitspraak. Vervolgens wordt opgemerkt dat het openbaar ministerie sindsdien heeft geprobeerd om de uitspraak in persoon uit te reiken en dat dit is mislukt. De politie wordt verzocht om met spoed de mededeling uitspraak aan de verdachte in persoon uit te reiken. Diezelfde dag om 12.05 uur wordt de mededeling aan de verdachte betekend. De mededeling dat het openbaar ministerie sinds de uitspraak van het hof heeft geprobeerd de uitspraak aan de verdachte uit te reiken, wordt niet door stukken ondersteund, laat staan dat uit de stukken zou kunnen volgen dat een dergelijke poging gedurende twaalf jaren voorafgaand aan 27 maart 2018 heeft plaatsgevonden.
17.Vgl. onder meer HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1817; HR 6 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:2; HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:699 (niet gepubliceerd); HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2005 en HR 17 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0529.