ECLI:NL:HR:2020:866

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 mei 2020
Publicatiedatum
11 mei 2020
Zaaknummer
19/05834
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:43 AwbOnderdeel A1, punt 3, Bijlage Besluit Proceskosten BestuursrechtArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing punten voor conclusie van repliek in parkeerbelastingzaak

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door het College van Burgemeester en Wethouders van Rotterdam. In het hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag diende belanghebbende na het verweerschrift een stuk in met het opschrift 'conclusie van repliek'. Het hof kende hiervoor geen punten toe bij de proceskostenveroordeling omdat het belanghebbende niet de gelegenheid had gegeven tot repliek.

Belanghebbende stelde in cassatie dat het hof ten onrechte geen punten had toegekend voor deze conclusie van repliek. De Hoge Raad oordeelde dat artikel 8:43 Awb Pro bepaalt dat de rechter kan besluiten om schriftelijke repliek toe te staan, maar dat het hof dit niet had gedaan en ook de wederpartij geen duplicemogelijkheid had geboden. Hierdoor mocht het hof het stuk niet als repliek aanmerken en geen punten toekennen.

De overige klachten van belanghebbende faalden eveneens, zonder nadere motivering door de Hoge Raad. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het hof heeft terecht geen punten toegekend voor de conclusie van repliek.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/05834
Datum15 mei 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROTTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 17 december 2019, nr. BK-18/01034, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 18/1549) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Aan belanghebbende is met dagtekening 13 januari 2016 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd. Het Hof heeft de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende. In hoger beroep heeft belanghebbende, na ontvangst van het verweerschrift van de heffingsambtenaar, een stuk ingediend met het opschrift “conclusie van repliek”.
2.1.2
Het Hof heeft het bedrag van de door de heffingsambtenaar te vergoeden proceskosten vastgesteld met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarbij heeft het Hof geen punten toegekend voor het door belanghebbende als conclusie van repliek betitelde stuk.
2.2
De eerste klacht houdt in dat het Hof ten onrechte geen punten heeft toegekend voor de conclusie van repliek.
2.3
Artikel 8:43 Awb Pro brengt mee dat de rechter kan besluiten de indiener van een beroepschrift in de gelegenheid te stellen schriftelijk te repliceren. Het procesdossier laat geen andere conclusie toe dan dat het Hof desgevraagd noch ambtshalve aan belanghebbende deze gelegenheid heeft verschaft. Dit vindt bevestiging in de omstandigheid dat het Hof de heffingsambtenaar niet in de gelegenheid heeft gesteld schriftelijk te dupliceren.
Het Hof heeft het door belanghebbende ingediende stuk met het opschrift “conclusie van repliek” daarom kennelijk niet aangemerkt als repliek als bedoeld in onderdeel A1, punt 3, van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en hoeft niet nader te worden gemotiveerd. De eerste klacht faalt.
2.4
De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2020.