Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
2 juni 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond het cassatieberoep van verdachte centraal tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 november 2018. De zaak betrof witwassen van een geldbedrag van ongeveer € 40.000, goud en een auto, waarbij tevens een verbeurdverklaring van € 22.000 werd opgelegd. De kernvraag was of het geldbedrag aan de verdachte toebehoorde.
Namens verdachte werd een cassatiemiddel ingediend door advocaat N. van Schaik. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte beoordeeld maar oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. Daarbij was het niet nodig om inhoudelijk in te gaan op de rechtsvragen, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het arrest werd op 2 juni 2020 gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad. Het beroep werd verworpen, waarmee het hofarrest bekrachtigd bleef. Hiermee blijft de veroordeling voor witwassen en de verbeurdverklaring ongewijzigd in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen, arrest van het hof Amsterdam blijft in stand.