ECLI:NL:HR:2020:881

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 mei 2020
Publicatiedatum
14 mei 2020
Zaaknummer
19/03583
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens gebrek aan belang na beëindiging hoofdzaak

De vrouw heeft cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het hof waarin haar verzoek om nadere voorlopige voorzieningen op grond van artikel 223 Rv Pro werd afgewezen. Dit verzoek was gedaan na de sluiting van de behandeling van de hoofdzaak. Het hof had eerder op 18 oktober 2018 een einduitspraak in de hoofdzaak gedaan, waartegen de vrouw eveneens cassatieberoep had ingesteld (zaaknummer 19/00292).

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor het procesverloop in de feitelijke instanties. Op de dag van deze beschikking heeft de Hoge Raad het cassatieberoep in de hoofdzaak verworpen, waarmee het geding in de hoofdzaak is geëindigd.

Daardoor heeft de vrouw geen belang meer bij haar verzoek om voorlopige voorzieningen, aangezien de hoofdzaak is afgerond. De Hoge Raad besluit daarom het cassatieberoep tegen de afwijzing van het verzoek tot voorlopige voorzieningen te verwerpen wegens gebrek aan belang.

De beschikking is gegeven door de vicepresident als voorzitter en de raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 15 mei 2020.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens gebrek aan belang omdat de hoofdzaak is geëindigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/03583
Datum15 mei 2020
BESCHIKKING
In de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: K. Aantjes,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats], België,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de man,
advocaat: N.C. van Steijn.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de beschikking in de zaak C/16/433007 en C/16/433009 van de rechtbank Midden-Nederland van 9 augustus 2017;
de beschikkingen in de zaak 200.227.197/03 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 oktober 2018 en 30 april 2019.
De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof van 30 april 2019 beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. de man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de vrouw heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
Bij de hiervoor genoemde beschikking van 18 oktober 2018 heeft het hof einduitspraak gedaan in de hoofdzaak. Tegen deze uitspraak heeft de vrouw cassatieberoep ingesteld (zaaknr. 19/00292).
2.2
Bij de in dit cassatieberoep bestreden beschikking van 30 april 2019 heeft het hof beslist op het verzoek dat de vrouw na de sluiting van de behandeling van de hoofdzaak heeft gedaan en dat ertoe strekt op grond van art. 223 Rv Pro voor de duur van het geding nadere voorlopige voorzieningen te treffen. Het hof heeft dit verzoek afgewezen. Daartegen keert zich het middel.

3.Beoordeling van het belang bij het beroep

De Hoge Raad heeft vandaag het cassatieberoep in de hoofdzaak verworpen. [1] Daarmee is het geding geëindigd. De vrouw heeft derhalve geen belang meer bij haar verzoek. Het beroep moet daarom bij gebrek aan belang worden verworpen.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
15 mei 2020.

Voetnoten

1.HR 15 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:875.