Conclusie
1.Feiten en Procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
A-G) eindbeschikking gegeven. Op dat moment stond de procedure ex artikel 223 Rv Pro nog voor verweer op het verzoek van [de vrouw].
daaromeen rechterlijke beslissing waarbij een voorlopige alimentatie wordt toegekend niet is een beslissing die zijn werking verliest door de beslissing in de hoofdzaak, ongeacht of daartegen een rechtsmiddel is aangewend en ongeacht of die beslissing uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Het onderdeel merkt in dat verband op dat de vrouw in haar verzoekschrift tot het treffen van voorlopige voorzieningen voor de duur van het geding niet heeft verzocht om een voorschot op de nog vast te stellen alimentatie, maar om de vaststelling van een alimentatie “voor de duur van het geding”. Het onderdeel betoogt dat voor de klacht steun kan worden gevonden in HR 31 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1414, NJ 2018/411 m.nt. S.F.M. Wortmann, in welke alimentatiebeschikking is overwogen dat een voorlopige voorziening op de voet van art. 223 Rv Pro van kracht blijft totdat de vordering in de hoofdzaak is ingetrokken, dan wel de einduitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Het onderdeel stelt dat, zou voorlopige alimentatie gelijk gesteld moeten worden met een op de voet van art. 223 Rv Pro gegeven beslissing als bedoeld in het door het hof genoemde arrest HR 6 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5056, NJ 2010/139 m.nt. H.J. Snijders (
Chipshol III), “de hier geciteerde verwijzing naar deze rechtsregel dan niet valt te plaatsen”. Het is dan, aldus nog steeds het het onderdeel, van tweeën één: ofwel is de Hoge Raad, in elk geval voor zover het beslissingen omtrent voorlopige alimentatie betreft, teruggekomen op het arrest uit 2009, ofwel is de in dat arrest gegeven rechtsregel omtrent de vervanging van de provisionele beslissing door de eindbeslissing in de hoofdzaak van meet af aan niet bedoeld geweest voor beslissingen omtrent voorlopige alimentatie. Het onderdeel betoogt dat in beide gevallen het belang van de vrouw bij haar tijdig ingediende tweede verzoek op de voet van art. 223 Rv Pro niet verloren is gegaan. Het onderdeel klaagt dat het hof dat heeft miskend, althans dat de beslissing onbegrijpelijk is.
ex nunc- de grondslag aan de toewijzing van de voorlopige voorziening. Dat betekent volgens Van Schaick dat de partij ten gunste van wie het provisionele vonnis is gewezen, aan dat vonnis geen rechten kan ontlenen.
in kracht van gewijsde is gegaan, en dat die opvatting eveneens in strijd komt met de overheersende opvatting in de vakliteratuur, die berust op de wetsgeschiedenis. [5] Onder 2c geeft hij dan wel aan dat toch veel valt te zeggen voor de opvatting dat een einduitspraak vanaf het moment dat deze gegeven wordt, de voorafgaande provisionele tussenuitspraak vervangt.
Door de uitspraak in de hoofdzaak verliest de provisionele uitspraak zijn rechtskracht.”
van kracht blijft. Snijders stelt dat in het arrest van 6 februari 2009 van het vorenstaande is afgeweken voor het geval dat de voorlopige voorziening ertoe strekt dat een voorschot wordt betaald op hetgeen in de hoofdzaak wordt gevorderd: “Volgens dit arrest vervangt het eindvonnis in de hoofdzaak in dat geval het provisionele vonnis van rechtswege. Daarom vervalt de voorlopige voorziening in dat geval onmiddellijk als het eindvonnis in de hoofdzaak is gewezen en dus niet eerst indien dat vonnis onherroepelijk is.” Snijders schrijft vervolgens dat het “dogmatisch gemotiveerde arrest” van 6 februari 2009 vermoedelijk berust op het door A-G Wesseling-van Gent in haar Conclusie genoemde bezwaar dat bij het voortduren van de voorlopige voorziening
nadateindvonnis in de hoofdzaak is gewezen, er twee met elkaar strijdige gewijsden zouden zijn, en dat het de vraag is of deze onderbouwing volledig overtuigt (cursivering mijnerzijds, A-G):
De beslissing van het arrest valt in elk geval beperkt te achten tot het daarin genoemde geval dat de voorlopige voorziening ertoe strekt dat een voorschot wordt betaald op hetgeen in de hoofdzaak wordt gevorderd. Voor andere gevallen valt derhalve, overeenkomstig de wetsgeschiedenis, aan te nemen dat de voorlopige voorziening eerst van rechtswege vervalt als de einduitspraak in kracht van gewijsde gaat.
op zichzelfmoet worden bezien in die zin dat de beslissing beperkt is tot het in het arrest genoemde geval dat de voorlopige voorziening ertoe strekt dat
een voorschotwordt betaald op hetgeen in de hoofdzaak wordt gevorderd. Voor andere gevallen valt volgens hem overeenkomstig de wetsgeschiedenis aan te nemen dat de voorlopige voorziening eerst van rechtswege vervalt als de einduitspraak in kracht van gewijsde gaat.
Zo blijft een voorlopige voorziening op de voet van art. 223 Rv Pro van kracht totdat de vordering in de hoofdzaak is ingetrokken, dan wel de einduitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.Verder heeft de wetgever voor de voorlopige voorzieningen bij scheiding ervoor gekozen gewone rechtsmiddelen tegen een op grond van art. 822 Rv Pro gegeven beschikking uit te sluiten (zie art. 824 lid 1 Rv Pro), maar binnen zekere grenzen wel wijziging of intrekking van zodanige beschikking mogelijk te maken (namelijk in de in art. 824 lid 2 Rv Pro omschreven gevallen). Deze keuze berust onder meer op de wens een vlot verloop van de scheidingsprocedure te bevorderen (zie Kamerstukken II 1985/86, 19242, 3, p. 4-5 en Kamerstukken II 1990/91, 21881, 3, p. 8-9). Daarentegen kan van een beslissing op de voet van art. 223 Rv Pro direct hoger beroep en cassatieberoep worden ingesteld (zie art. 337 lid 1 Rv Pro en art. 401a lid 1 Rv).
op zichzelfmoet worden beschouwd. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat de Hoge Raad in zijn uitspraak van 31 augustus 2018 “is teruggekomen” van dat arrest. Naar mijn mening kan
nietworden gezegd dat het op de voet van art. 223 Rv Pro gedane tweede verzoek in de onderhavige procedure ertoe strekte dat een voorschot wordt betaald op hetgeen in de hoofdzaak wordt gevorderd. Hetzelfde geldt overigens voor het eerste verzoek. Van een situatie vergelijkbaar met die in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 februari 2009 is dan ook geen sprake.
nietvan toepassing is. Overigens merk ik op dat een verzoek op de voet van art. 223 Rv Pro in de procedure met zaaknummer 19/00292 niet is gedaan.
enigeuitspraak waarin in hoger beroep een beslissing omtrent voorlopige voorzieningen is gegeven. Het is derhalve
dieuitspraak die haar werking verloor als gevolg van de einduitspraak. Indien de Hoge Raad van oordeel mocht zijn dat, ondanks het hiervoor betoogde, de gegeven voorlopige voorziening eerst vervalt als de einduitspraak in kracht van gewijsde gaat, dan zou dit derhalve uitsluitend betrekking hebben op de uitspraak van 10 april 2018.
nadateinduitspraak is gedaan, althans in elk geval niet door de gerechtelijke instantie die de einduitspraak heeft gegeven. In zoverre geeft ook het oordeel in rov. 4.2 dat een verzoeker na een einduitspraak zijn belang verliest bij een beslissing op een verzoek ex art. 223 Rv Pro geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij merk ik op dat de vraag rijst of de vrouw, waar het de klachten tegen dit oordeel betreft, wel belang heeft bij haar cassatieberoep. Deze zaak hangt samen met de zaak met procedurenummer 19/00292. In dat cassatieberoep concludeer ik tot verwerping. Indien Uw Raad dit standpunt volgt dan gaat de einduitspraak van 18 oktober 2018 in kracht van gewijsde en is die onaantastbaar geworden. Op dat moment ontvalt het belang van de vrouw bij een beslissing in de onderhavige zaak in elk geval. Indien Uw Raad oordeelt dat de einduitspraak van het hof niet in stand kan blijven, dan zal vernietiging en verwijzing volgen. In dat geval kan de vrouw een nieuw verzoek indienen tot het treffen van voorlopige voorzieningen. De slotsom is dat het onderdeel niet tot cassatie leidt.
datde vrouw in dit geval een beroep op art. 223 Rv Pro heeft gedaan na de einduitspraak.
datvaststaat dat de man feiten en omstandigheden heeft verzwegen die van belang zijn voor het bepalen van zijn draagkracht. Daarnaast gaat het onderdeel uit van een rechtsopvatting die, als te ruim, geen steun vindt in het recht. Het is de vraag of art. 27 lid 2 IVRK Pro rechtstreekse werking heeft. Voor het overige kan het onderdeel op de hiervoor weergegeven gronden niet tot cassatie leiden. Terzijde merk ik op dat de vrouw de mogelijkheid had en nog steeds heeft om op grond van het door haar gestelde een wijzigingsverzoek in te dienen op de voet van art. 1:401, leden 1 en/of 4, BW.
Onderdeel 2.1klaagt dat het oordeel dat het hof geen aanleiding heeft gezien eerst te beslissen op het verzoek op de voet van art. 223 Rv Pro onjuist is, althans onbegrijpelijk. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat de aard van een verzoek tot toekenning van een voorlopige alimentatie meebrengt dat een dergelijk verzoek wordt behandeld voordat in de hoofdzaak zal worden beslist indien uit het verzoek blijkt dat het is gegrond op feiten en omstandigheden die, voorshands bezien, het vermoeden rechtvaardigen dat een eerder toegekende alimentatie ontoereikend is, en dat een aanspraak op die behandeling in het bijzonder bestaat indien het verzoek gegrond is op feiten en omstandigheden die de alimentatieplichtige in de hoofdzaak heeft verzwegen.
vanaf de einduitspraak, dus vanaf 18 oktober 2018, niet langer belang had bij een beslissing op haar verzoek op de voet van art. 223 Rv Pro (rov. 4.2, eerste volzin). De onderdelen zien op een periode
voorafgaandaan die beslissing. De onderdelen 2.1 en 2.2 richten zich in wezen tegen de beschikking van het hof in de hoofdzaak (de einduitspraak). Die uitspraak staat in het onderhavige cassatieberoep evenwel niet centraal. Terzijde merk ik op dat het bestreden oordeel niet onjuist is, Daartoe verwijs ik naar de Conclusie in zaak 19/00292, waarin uiteen is gezet dat er geen verplichting was voor het hof om het tweede verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen aanstonds te behandelen.