Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
19 mei 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een klaagschrift tegen beslaglegging op sieraden onder de ex-partner van de klaagster, in het kader van verdenking van witwassen en wapenbezit. De rechtbank Oost-Brabant had het beklag ongegrond verklaard, waarbij onduidelijk bleef of het beslag was gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro of artikel 94a Sv.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of het beslag was gelegd op grond van artikel 94a Sv en of de specifieke voorwaarden van artikel 94a.4 of 94a.5 Sv zich voordeden. Ook was het oordeel over het voortduren van het belang van de strafvordering onjuist gegeven het standpunt van de officier van justitie.
De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant voor een volledige herbeoordeling en afdoening van het klaagschrift. De uitspraak is gegeven door de vice-president en twee raadsheren op 19 mei 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor herbeoordeling.