Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
26 mei 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake diefstal met gebruik van een valse sleutel en misbruik van een pinpas van een oudere demente vrouw. De verdachte werd veroordeeld en het hof legde een schadevergoedingsmaatregel op, waarbij bij niet-betaling vervangende hechtenis werd toegepast.
De verdachte stelde cassatie in tegen het hofarrest. De Hoge Raad beoordeelde de klachten en verwierp deze, zonder inhoudelijke motivering, omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Vervolgens beoordeelde de Hoge Raad ambtshalve de toepassing van vervangende hechtenis.
De Hoge Raad vernietigde het deel van het hofarrest waarin vervangende hechtenis werd toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel, conform een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2020:914). De Hoge Raad bepaalde dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast op grond van artikel 6:4:20 Sv Pro.
Het beroep van de verdachte werd voor het overige verworpen. Hiermee wordt de rechtsregel bevestigd dat gijzeling als maatregel kan worden toegepast in plaats van vervangende hechtenis bij niet-nakoming van schadevergoedingsverplichtingen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak voor toepassing vervangende hechtenis en bepaalt dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.