Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
21 januari 2020.
Hoge Raad
De betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Echter heeft de betrokkene geen middelen van cassatie ingediend binnen de bij wet gestelde termijn, zoals vereist volgens art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep. De Hoge Raad heeft deze conclusie gevolgd en het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het voorschrift van tijdige indiening van middelen niet is nageleefd.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, waarbij de niet-ontvankelijkverklaring het eindoordeel vormt. Dit betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk is behandeld en de uitspraak van het gerechtshof in stand blijft.
Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.