Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
14 september 2021.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 september 2019. Ondanks het instellen van het beroep zijn door de advocaat van de verdachte geen cassatiemiddelen (klachten) ingediend binnen de door de wet voorgeschreven termijn.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het ontbreken van deze middelen. De Hoge Raad toetst vervolgens de ontvankelijkheid van het beroep en constateert dat de wettelijke vereisten niet zijn nageleefd, waardoor het beroep niet in behandeling kan worden genomen.
De Hoge Raad verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk en bevestigt hiermee het arrest van het gerechtshof. Deze beslissing werd genomen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer tijdens een openbare terechtzitting op 14 september 2021.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van cassatiemiddelen.