Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beslissing
21 september 2021.
Hoge Raad
De betrokkene werd geconfronteerd met een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) uit meermalen gepleegde verduistering. Het gerechtshof Den Haag had op 22 januari 2020 uitspraak gedaan over deze vordering. De betrokkene stelde in cassatie dat het hof ten onrechte bij de schatting van het w.v.v. was uitgegaan van een eerdere strafrechtelijke uitspraak die pas na de sluiting van de ontnemingszaak was gewezen.
De Hoge Raad heeft deze klacht beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leidt tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad vond het niet noodzakelijk om de klacht nader te motiveren, omdat het niet van belang was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het cassatieberoep werd derhalve verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president van den Brink, en raadsheren Buruma en Kooijmans, op 21 september 2021. De procureur-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Het arrest bevestigt de rechtmatigheid van de ontnemingsvordering en de toegepaste schattingsmethode door het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Den Haag blijft in stand.