Conclusie
Nummer20/02717 P
eerstemiddel betreft de afwijzing van het verzoek tot het horen van de bij appelschriftuur opgegeven getuigen. Het
tweedemiddel ziet op de onderbouwing van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het
derdemiddel klaagt over het ontbreken van een reactie op een standpunt dat de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel betreft. Het
vierdemiddel behelst een klacht inzake het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn.
Aangifte [A] B.V.
- [D] (hierna ook: [D] )
€664.499,80;
- [B] (hierna ook: [B] ) € 198.879,04;
- [E] (hierna ook: [E] of [E] ) € 60.186,64;
- [F] (hierna ook: [F] ) € 18.754,40;
- [C] (hierna ook: [C] ) € 15.844,85;
Totaal € 958.164.72.
- De onderneming
[D] VOFstond alleen in de periode 4-08-2003 tot 31-12-2005 op het bedrijfsadres [a-straat 1] , [plaats] ingeschreven. Volgens de belastingdienst zijn de fiscale activiteiten per 31-12-2005 beëindigd. Volgens de Kamer van Koophandel is de onderneming per 2-10-2006 opgeheven. Op naam van [D] V.O.F. is in de periode 6-05-2005 tot en met 25-05-2007 gefactureerd aan [A] . Een van de vennoten van [D] is [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] )
-
[C] CVstond ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats] . Het bedrijfsadres van de CV is tevens het woonadres van haar vennoot [betrokkene 2] .
- Er heeft geen bedrijf met de naam
[F]op het op de facturen genoemde bedrijfsadres [c-straat 1] , te [plaats] ingeschreven gestaan. Dit was het woonadres van de eigenaar [betrokkene 3] .
- Er heeft geen bedrijf met de naam
[B]op het op de facturen genoemde bedrijfsadres [e-straat 1] te [plaats] ingeschreven gestaan. Dit was het woonadres van de eigenaar, [betrokkene 4] .
- Er heeft geen bedrijf met de naam
[E]op het op de facturen genoemde bedrijfsadres [d-straat 1] te [plaats] ingeschreven gestaan. Dit was het woonadres van de eigenaar, [betrokkene 5] .
Pas [024] en [025]
Pas [026] en [025]
Pas [027] en [025]
Pas [027] , [026] en [025]
Pas [026] en [028]
De conclusie dat in werkelijkheid geen vervoer heeft plaatsgevonden, vindt onder meer bevestiging in de getuigenverklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . De door de verdediging ter terechtzitting overgelegde e-mail van 6 juni 2007, waarin [F] als mogelijke vervoerder wordt genoemd, doet niet af aan deze conclusie. [F] is door de verdachte zelf bij [A] geïntroduceerd als vervoerder, zodat het geen verbazing wekt dat een collega van de verdachte aan deze firma dacht op het moment dat er vervoer van monsters zou moeten plaatsvinden. Overigens heeft ook dit vervoer niet daadwerkelijk plaatsgevonden.
5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Veroordeelde had de beschikking over de bankpasjes van de vijf koeriersbedrijven, de bankpasjes van de stichtingen, hij heeft contante opnamen verricht van de rekeningen en hij had de pincodes van de diverse bankpasjes opgeschreven in zijn adressenboekje en op een papiertje.
In het ontnemingsrapport wordt uitgegaan van een bedrag van € 987.584,57 aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit betreft het totale bedrag dat door [A] op de bankrekening van de vijf koeriersbedrijven is overgemaakt. [A] heeft niet van alle betalingen de facturen kunnen achterhalen, maar uit de bankafschriften van [A] blijkt dat in totaal dit bedrag is overgemaakt.
De rechtbank zal het bedrag dat veroordeelde aan medeverdachte [betrokkene 1] heeft overgeboekt, zijnde een bedrag van € 28.463,00 – zoals in het ontnemingsrapport is vermeld – op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering brengen.
Gelet op het voorgaande schat de rechtbank het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op:
[betrokkene 14], financieel directeur van [A] B.V., en daar dus ook bereikbaar, te weten op het adres [l-straat 1] te [plaats] , dan wel op het adres van [A] , [m-straat 1] te [plaats] .
[betrokkene 15], financieel directeur en als zodanig werkzaam op het hoofdkantoor van [A] , [m-straat 1] te [plaats] , aldaar kennelijk ook te bereiken.
[betrokkene 1], mede-eigenaar van [D] VOF, volgens het proces-verbaal wonende op het adres [n-straat 1] te [plaats] of [o-straat 1] te [plaats] .
[betrokkene 8], mede-eigenaar van [D] VOF, volgens het proces-verbaal dat de FIOD heeft opgemaakt laatstelijk woonachtig op het [p-straat 1] te [plaats] .
[betrokkene 4](BSN [031] ), eigenaar van [B] volgens het proces-verbaal wonende op het adres [e-straat 1] te [plaats] .
[betrokkene 5](BSN [032] ), eigenaar van [E] , volgens het proces-verbaal wonende op het adres [d-straat 1] te [plaats] .
[betrokkene 2](BSN [034] ), eigenaar van [C] , volgens het proces-verbaal wonende op het adres [q-straat 1] te [plaats] .
[betrokkene 3](BSN [035] ), eigenaar van [F] , volgens het proces-verbaal wonende op het adres [r-straat 1] te [plaats] .
getuigen 3 t/m 8geldt het volgende;
getuigen 1 en 2geldt het volgende;
kanbij [betrokkene 8] terecht zijn gekomen. Een aanknopingspunt daarvoor is ECLI:NL:HR:2017:950 (notaris Klimop). Daarom moet in de ontnemingszaak rekening worden gehouden met eventuele afspraken over de verdeling van het geld en om die reden wil ik de eigenaren van de koeriersbedrijven vragen kunnen stellen. De veroordeelde heeft daar belang bij, omdat op die manier het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel naar beneden kan worden bijgesteld.
De strafzaak en de ontnemingszaak, oplichting en witwassen
Bespreking van de middelen
eerstemiddel klaagt als gezegd over de afwijzing van het verzoek tot het horen van de bij appelschriftuur opgegeven getuigen. De steller van het middel voert in de toelichting op het eerste middel aan dat art. 6, derde lid, aanhef en onder d, EVRM van overeenkomstige toepassing is op ontnemingszaken. Dat zou meebrengen dat als gevolg van de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin de eisen die in eerdere rechtspraak van Uw Raad zijn geformuleerd over de onderbouwing van verzoeken van de verdediging tot het oproepen en horen van getuigen in ontnemingszaken bijstelling behoeven. Het hof zou door bevestiging van het vonnis de overweging hebben overgenomen dat uit de ontnemingsrapportage blijkt dat [A] betalingen heeft verricht aan vijf koeriersbedrijven. De betrokkene zou hebben gesteld dat hij door het horen van de eigenaren van de koeriersbedrijven (de getuigen 3 t/m 8) kan aantonen dat hij niet het door het hof geschatte voordeel heeft genoten. Tegen die achtergrond zou ’s hofs afwijzing van het verzoek om deze getuigen te horen onbegrijpelijk zijn. [20]
NJ2003/97 m.nt. Mevis overwogen dat aan een getuigenverzoek in ontnemingszaken de eis van ‘onderbouwing’ mag worden gesteld. Uw Raad overwoog in dat arrest:
BFK: ik begrijp [D]) werden [E] pintransacties bij geldautomaten uitgevoerd. In totaal werd in de periode van 2 mei 2005 tot en met 5 november 2007 € 120.950 gepind bij geldautomaten en € 362.058,60 contant opgenomen bij (post) kantoren. In totaal € 59.850 is overgeboekt naar (zo begrijp ik) een andere rekening op naam van stichting [K] . Veel contante opnames vonden plaats in (de omgeving van) [plaats] dan wel [plaats] , waar de betrokkene en zijn echtgenote achtereenvolgens woonden. Er hebben evenwel ook pintransacties plaatsgevonden in Rotterdam en Delft. In veel gevallen is kort achter elkaar bij geldautomaten op dezelfde locatie geld opgenomen met passen van (minstens) twee van de vijf bedrijven dan wel stichting [K] of [G] . In vrijwel al deze gevallen is het geld opgenomen bij geldautomaten in de omgeving van [plaats] en [plaats] .
tweedemiddel behelst de klacht dat de uitspraak met onvoldoende mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen vermeldt waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend.
NJ2010/478 dat dit niet is toegestaan.
derdemiddel bevat de klacht dat het hof een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt onbesproken heeft gelaten terwijl de weerlegging daarvan ook niet volgt uit wettige bewijsmiddelen.
vierdemiddel bevat de klacht dat de beslissing van het hof om in verband met de schending van de redelijke termijn een bedrag van (slechts) € 5.000 in mindering te brengen onbegrijpelijk is. Ik bespreek dit middel voor het geval Uw Raad anders oordeelt over de eerste drie middelen.
6. Redelijke termijn
Rechtvaardiging onredelijk lange termijn
BFK: overeenkomst) geen rol spelen bij de vaststelling van de onredelijke lange met de procedure gemoeide duur.
NJ2008/358 m.nt. Mevis heeft Uw Raad onder meer het volgende overwogen:
- (…)
- A. Het door de laatste feitelijke instantie vastgestelde ontnemingsbedrag pleegt op overeenkomstige wijze te worden verminderd. De vermindering bedraagt echter in beginsel niet meer dan € 5.000, -.
- B. In bijzondere gevallen volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, bijvoorbeeld indien in de (nagenoeg) gelijktijdig behandelde strafzaak strafvermindering wordt toegepast op grond van overschrijding van de redelijke termijn.