ECLI:NL:HR:2021:1277

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2021
Publicatiedatum
16 september 2021
Zaaknummer
19/00231
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 lid 2 SrArt. 420bis lid 1 sub b SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling medeplegen valsheid in geschrift en witwassen ondanks overschrijding redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift en witwassen. De valsheid in geschrift hield verband met het gebruik van valse werkgeversverklaringen en arbeidsovereenkomsten bij het verkrijgen van een hypotheek.

De verdediging stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder een bewijs- en rechtsklacht over de toepasselijkheid van de regelgeving inzake witwassen en een klacht over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Hoge Raad beoordeelde de klachten en verwierp de eerste twee middelen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het derde cassatiemiddel, gericht op de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, werd gegrond verklaard. De Hoge Raad constateerde dat de stukken te laat waren ingezonden en dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Desondanks werd geen ander rechtsgevolg aan deze overschrijding verbonden vanwege de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.

De Hoge Raad besloot het beroep te verwerpen en bevestigde daarmee het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden. Het arrest werd op 28 september 2021 uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling voor medeplegen valsheid in geschrift en witwassen blijft in stand ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/00231
Datum28 september 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 november 2018, nummer 21-001380-13, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft V.C. van der Velde, advocaat te Almere, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden zal de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 september 2021.