Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel klaagt dat het hof op onjuiste en/of ontoereikende gronden tot een bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde is gekomen.
tweedemiddel bevat de klacht dat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht dat in de tenlastegelegde periode andere regelgeving van toepassing was en ‘bij het juridisch kader een onjuiste maatstaf is gehanteerd’. Daarbij wijst de steller van het middel naar de randnummers 53 t/m 68 van de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota.
het enkele voorhanden hebbendoor de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit eigen misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. Er dient dan een ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.
meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.
subsidiairdat geen sprake is van een gedraging die is gericht op het verhullen of verbergen van de criminele herkomst van het geld.
ook als dat ‘’voor ‘reguliere' uitgaven’' gebeurt. [10]
derdemiddel klaagt dat het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn, in het bijzonder de inzendingstermijn in cassatie, is geschonden.