Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
Naast tanks voor de lading (ladingtanks) beschikt het schip over twee zogenoemde sloptanks, een aan stuurboord en een aan bakboord. Sloptanks dienen voor de tijdelijke opslag van lading die na lossing als restlading (niet verontreinigd restant) of als residu (verontreinigd restant) achterblijft in de ladingtanks en pijpleidingen van een tankschip wanneer die resten en/of residuen niet met een volgende lading mogen worden vermengd.
3.Beoordeling van het middel
Met de gegevens die belanghebbende heeft overgelegd, kan niet worden vastgesteld onder dekking van welke documenten de lading, waarvan delen vanuit de ladingtanks naar de sloptanks zijn overgepompt, is vervoerd, zodat het hiervoor bedoeldebewijsvermoeden niet is ontzenuwd. Evenmin heeft belanghebbende gegevens overgelegd aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat wat betreft de inhoud van de sloptanks materieel is voldaan aan de in Mededeling 61 bedoelde voorwaarden. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de in de sloptanks aangetroffen minerale oliën voorhanden werden gehouden als bedoeld in artikel 2, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet.
Dit betoog van belanghebbende wordt verworpen. Met Mededeling 61 is de staatssecretaris van Financiën onder bepaalde voorwaarden tegemoetgekomen aan de administratieve last en praktische bezwaren die zijn verbonden aan het voldoen aan de in de wettelijke bepalingen gestelde vereisten. Die voorwaarden houden onder meer in dat de vervoerder van minerale oliën wijzigingen van de inhoud van sloptanks administreert en de herkomst van in sloptanks aanwezige minerale oliën staaft met administratieve bescheiden. Van de administratieve last die dit voor de vervoerder meebrengt, kan niet worden gezegd dat deze onevenredig is in verhouding tot het doel van de administratieve voorwaarden in Mededeling 61, zijnde een toereikende mogelijkheid tot toezicht door de Belastingdienst/Douane op de in de sloptanks opgeslagen minerale oliën. Daarom kan niet worden gezegd dat de staatssecretaris van Financiën met zijn besluit om deze voorwaarden in Mededeling 61 op te nemen het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden, en daarom een verdergaande tegemoetkoming had moeten verlenen. Voor het overige geldt dat het hier gaat om naheffing van accijns waarvan de verschuldigdheid rechtstreeks voortvloeit uit de wettelijke bepalingen. De Inspecteur komt daarbij geen beoordelings- of beleidsvrijheid toe. Aan toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt daarom voor het overige niet toegekomen.