Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
28 september 2021.
Hoge Raad
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, voortvloeiend uit een bewezenverklaarde hypotheekfraude. De betrokkene stelde zich op het standpunt dat de ontnemingsvordering moest worden afgewezen omdat in de hoofdzaak onherroepelijk was vastgesteld dat hij meer financieel nadeel dan voordeel had ondervonden.
Het hof Arnhem-Leeuwarden verwierp dit verweer en legde de ontnemingsvordering alsnog op. De betrokkene stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet gebonden is aan het oordeel in de hoofdzaak dat de betrokkene meer nadeel dan voordeel had. De Hoge Raad verwees naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2021:789) waarin deze rechtsvraag reeds is beantwoord. De overige klachten van de betrokkene werden eveneens verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde daarmee de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 5 februari 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsvordering blijft gehandhaafd.