Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
5 oktober 2021.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een beklag tegen het beslag op een geldbedrag van €227.270,- dat in de woning van klager werd aangetroffen en in beslag genomen onder verdenking van overtreding van de Opiumwet in België. Klager voerde aan dat hij eigenaar was van het geld, onderbouwd met verklaringen over erfenissen en verkoop van een woning.
De rechtbank oordeelde echter dat klager onvoldoende verifieerbaar bewijs had geleverd om buiten redelijke twijfel als eigenaar van het geld te worden aangemerkt. Ook werd gewezen op tegenstrijdigheden in verklaringen en tapgesprekken die duidden op een nauwe band met een veroordeelde betrokkene, die vermoedelijk de rechtmatige eigenaar was.
De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de eigendom van het geld niet aan klager toebehoorde en verwierp het cassatieberoep. Tevens herhaalde de Hoge Raad de maatstaf dat bij beslag op een voorwerp en een verzoek tot teruggave door een derde, buiten redelijke twijfel moet worden vastgesteld dat die derde eigenaar is.
De Hoge Raad vond geen aanleiding tot vernietiging van het vonnis en hoefde geen verdere motivering te geven, aangezien de klachten niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op het geldbedrag blijft gehandhaafd.