Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
5 oktober 2021.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 januari 2020. Hoewel het beroep is ingesteld, zijn door de advocaat van de verdachte geen cassatiemiddelen ingediend binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn. Namens de benadeelde partij is wel een schriftuur ingediend. De plaatsvervangend advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Hoge Raad oordeelt dat het niet indienen van cassatiemiddelen binnen de wettelijke termijn betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierdoor kan de Hoge Raad het beroep niet inhoudelijk behandelen, ook niet de vorderingen van de benadeelde partij. Dit volgt uit artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering en eerdere jurisprudentie.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 5 oktober 2021. De Hoge Raad verklaart het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk en komt niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van cassatiemiddelen binnen de wettelijke termijn.