ECLI:NL:HR:2021:1412

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 oktober 2021
Publicatiedatum
30 september 2021
Zaaknummer
20/00299
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 lid 2 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-indiening cassatiemiddelen

In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 januari 2020. Hoewel het beroep is ingesteld, zijn door de advocaat van de verdachte geen cassatiemiddelen ingediend binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn. Namens de benadeelde partij is wel een schriftuur ingediend. De plaatsvervangend advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

De Hoge Raad oordeelt dat het niet indienen van cassatiemiddelen binnen de wettelijke termijn betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierdoor kan de Hoge Raad het beroep niet inhoudelijk behandelen, ook niet de vorderingen van de benadeelde partij. Dit volgt uit artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering en eerdere jurisprudentie.

Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 5 oktober 2021. De Hoge Raad verklaart het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk en komt niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de zaak.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van cassatiemiddelen binnen de wettelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/00299
Datum5 oktober 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 januari 2020, nummer 21-005461-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.
Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft C.W. Langereis, advocaat te Arnhem, een schriftuur ingediend.
De plaatsvervangend advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot nietontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering).
2.2
Dat brengt mee dat de Hoge Raad niet toekomt aan een beoordeling van rechtspunten betreffende de vordering van de benadeelde partij (vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, rechtsoverweging 2.5).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 oktober 2021.