ECLI:NL:PHR:2021:924

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2021
Publicatiedatum
4 oktober 2021
Zaaknummer
20/00299
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte wegens niet tijdig indienen cassatiemiddelen

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand wegens openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld. Echter heeft de verdachte geen schriftuur houdende middelen van cassatie tijdig bij de Hoge Raad ingediend.

De benadeelde partij heeft wel een middel van cassatie voorgesteld, maar aangezien de verdachte zelf niet ontvankelijk is, kan de Hoge Raad niet tot inhoudelijke beoordeling van het cassatieberoep overgaan. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.

Hierdoor wordt het beroep van de verdachte niet behandeld en blijft het arrest van het gerechtshof in stand. Deze beslissing is gebaseerd op het niet naleven van het voorschrift van artikel 437 lid 2 Sv Pro.

Uitkomst: Verdachte niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/00299
Zitting8 juni 2021
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De verdachte is bij arrest van 29 januari 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand. Voorts heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als in het arrest vermeld.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaken 20/00327 en 20/00315. In de eerste zaak zal ik vandaag ook concluderen. Het in de laatstgenoemde zaak ingestelde beroep in cassatie is ingetrokken vóórdat de zaak voor de eerste keer ter terechtzitting van de Hoge Raad zou worden behandeld.
1.3.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
1.4.
Namens de benadeelde partij heeft mr. C.W. Langereis, advocaat te Arnhem, een ‘middel van cassatie’ voorgesteld.

2.Beoordeling

2.1.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437 lid 2 Sv Pro, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
2.2.
Nu de verdachte niet in zijn beroep in cassatie kan worden ontvangen, is de Hoge Raad niet bevoegd tot de beoordeling van de op de voet van art. 437 lid 3 Sv Pro ingediende schriftuur van de benadeelde partij. [1]
2.3.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv-AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4207,