ECLI:NL:HR:2021:1420

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2021
Publicatiedatum
30 september 2021
Zaaknummer
20/03756
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot faillietverklaring huurder en grenzen van de rechtsstrijd bij betaling door derde

In deze zaak stond een verzoek van een verhuurder tot faillietverklaring van een huurder centraal, waarbij tevens de vraag aan de orde was of betaling door een derde invloed had op de beoordeling van het faillissementsverzoek. De procedure begon bij de rechtbank Overijssel, waarna het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het geschil behandelde. De Hoge Raad werd vervolgens gevraagd om cassatie tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad heeft de klachten van de verzoeker tegen het arrest van het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. Daarbij heeft de Hoge Raad geen nadere motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het cassatieberoep is derhalve verworpen. De uitspraak bevestigt het arrest van het hof en benadrukt de grenzen van de rechtsstrijd in faillissementszaken, met name in situaties waarin betalingen door derden plaatsvinden. De Hoge Raad heeft het arrest in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2021.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bekrachtigt het arrest van het hof.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/03756
Datum1 oktober 2021
ARREST
In de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: [verzoeker],
advocaat: F.W.E. Eijsvogels,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder],
advocaat: J. de Jong van Lier.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de beschikking in de zaak 252608 FT RK 20.466 van de rechtbank Overijssel van 2 oktober 2020;
het arrest in de zaak 200.284.183 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 november 2020.
[verzoeker] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
1 oktober 2021.