Conclusie
bestaanvan een vorderingsrecht van de verhuurder. Opschorting raakt immers niet het bestaan van het vorderingsrecht, maar de opeisbaarheid en opeisbaarheid is geen vereiste voor het summierlijk zijn gebleken van het vorderingsrecht in de zin van art. 6 lid 3 Fw Pro. Er is geen sprake van ontbinding en evenmin is beroep gedaan op verrekening. Nu de geconstateerde pluraliteit en het toestandsvereiste in cassatie niet wordt bestreden, ontbreekt belang bij cassatie.
Het vorderingsrecht van [verweerder]
Indien [verweerder] nu stelt niets met [B] van doen te willen hebben, maar toch de betaling van [B] accepteert, kan ik dit niet met elkaar rijmen. Immers als [verweerder] wel de betaling accepteert, wil en heeft hij wel van doen (hebben) met [B] B. V. Als hij werkelijk feitelijk en juridisch gevolg wil geven aan deze stelling, dan moet hij het bedrag terug storten”. De gemachtigde van [verweerder] heeft daarop in een e-mail van 7 juli 2020 geantwoord dat als dit standpunt (dat [verweerder] te maken heeft met [B] ) niet werd herzien, het bedrag zou worden teruggestort en dat dat betekent dat er onmiddellijk weer een opeisbare vordering ontstaat. Onweersproken heeft [verweerder] aangevoerd dat de advocaat van [verzoeker] niet op deze e-mail heeft gereageerd, zodat hij het bedrag heeft teruggestort. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden waaruit blijkt dat de partijen van mening verschilden over het feit of [B] wel of niet als contractspartij te gelden had, dan wel dat slechts sprake was van betaling door een derde, is de terugstorting door [verweerder] van het bedrag dat door [B] is betaald, niet onbegrijpelijk of onredelijk. Anders dan [verzoeker] betoogt, komt de terugstorting daardoor voor zijn rekening en risico en zijn die huurpenningen dus niet al betaald, zoals [verzoeker] heeft betoogd.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
het bestaan vande vorderingen summierlijk is gebleken [14] . De rechter is hier niet gebonden aan de gewone regels van bewijsrecht [15] . Het resultaat moet echter wel zijn dat het gestelde voor de rechter voldoende komt vast te staan [16] . Het ‘summierlijk blijken’ brengt mee dat de rechter in de beoordeling van al wat bij de behandeling ter sprake komt in beginsel geheel vrij is [17] .
opeisbaar is of naar omvangvaststaat [18] , [19] . Bij niet-opeisbaarheid van de vordering van de verzoekende schuldeiser is wel nodig dat een steunvordering opeisbaar is, omdat anders geen sprake is van een toestand dat de schuldenaar heeft opgehouden te betalen [20] . De term opeisbaar is hier in ruime zin op te vatten [21] en betekent dat de schuldenaar nog niet hoeft te presteren, maar dat de verbintenis al wel moet bestaan (vgl. 6:38 BW) [22] .
opschortingsrechtkomt wat dat betreft op hetzelfde neer: de schuldenaar hoeft bij succesvolle inroeping nog niet te presteren. Opschorting tast
niet het bestaanvan de verbintenis van de schuldenaar aan, maar alleen de opeisbaarheid [23] . De hantering van het opschortingsrecht leidt op zichzelf dus
niet tot het vervallenvan de verbintenis van de opschortende partij [24] . Betaling ondanks de opschortingsbevoegdheid is dan ook niet onverschuldigd [25] .
nietleiden tot het tenietgaan van deze verbintenis [26] , zodat het vorderingsrecht van [verweerder] voor deze huurpenningen blijft bestaan [27] . Aan het vereiste van art. 6 lid 3 Fw Pro dat summierlijk moet blijken van het vorderingsrecht van de verzoekende schuldeiser, is daarmee voldaan. De reeks van klachten in onderdeel 3 ketsen dus af op een gebrek aan belang [28] , omdat die niet kunnen resulteren in het oordeel dat niet summierlijk is gebleken van deze (al dan niet terecht opgeschorte) vordering.
opschortingsrecht) net als de rechtbank had moeten concluderen dat van het
bestaanvan de vordering van [verweerder] niet summierlijk was gebleken, te kort door de bocht en als gezegd kennelijk gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting. Er is niet ontbonden, de huurovereenkomst bestaat nog, dat de betaling van de huurpenningen al dan niet terecht is opgeschort kan hier geen afbreuk doen aan het summierlijk blijken van het bestaan van de vordering terzake in de zin van art. 6 lid 3 Fw Pro. Er is ook geen beroep op verrekening gedaan. Ten overvloede: ook voor zover in 2.3 van het cassatierekest (dat bij onderdeel 2 eveneens helemaal in de sleutel staat van het opschortingsrecht) de klacht besloten zou moeten liggen dat de hele vordering wordt betwist, kan dat niet slagen, omdat ook het betoog van dat onderdeel volledig in de sleutel staat van opschorting en dat is nu eenmaal geen wijze van teniet gaan van een vordering.