ECLI:NL:PHR:2021:731

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2021
Publicatiedatum
30 juli 2021
Zaaknummer
20/03756
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 3 FwArt. 1 lid 1 FwArt. 6:262 BWArt. 6:38 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Faillietverklaring huurder ondanks betwisting betaling door derde en opschortingsrecht

In deze zaak heeft een verhuurder het faillissement van zijn huurder aangevraagd wegens betalingsachterstanden op de huur van een bedrijfsruimte. De huurder betwistte dit deels, stellende dat een deel van de huur door een derde was betaald en dat hij een opschortingsrecht had vanwege gebreken en illegale verbouwingen aan het gehuurde pand.

De rechtbank wees het verzoek tot faillietverklaring af wegens onvoldoende bewijs van het vorderingsrecht van de verhuurder. Het hof stelde dit bij arrest van 9 november 2020 bij en verklaarde de huurder failliet, stellende dat summierlijk was gebleken van het vorderingsrecht, pluraliteit van schuldeisers en een toestand van betalingsonmacht.

De huurder stelde cassatieberoep in tegen het oordeel over het opschortingsrecht en de terugbetaling van door een derde betaalde huur. De Hoge Raad oordeelde dat het opschortingsrecht niet het bestaan van het vorderingsrecht aantast, slechts de opeisbaarheid, en dat de terugstorting door de verhuurder niet onredelijk was gezien de onduidelijkheid over de contractuele relatie met de derde.

De Hoge Raad concludeerde dat aan de voorwaarden voor faillietverklaring was voldaan en verwierp het cassatieberoep. De huurder blijft failliet verklaard, ondanks zijn verweren over betaling door derden en opschorting van huurbetalingen.

Uitkomst: De huurder is failliet verklaard ondanks betwisting van betaling door een derde en beroep op opschortingsrecht.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/03756
Zitting25 juni 2021
CONCLUSIE
G.R.B. van Peursem
In de zaak
[verzoeker]
tegen
[verweerder]
In deze zaak stelt een verhuurder van een bedrijfsruimte een vordering te hebben op zijn huurder vanwege betalingsachterstanden. De verhuurder vraagt het faillissement van de huurder aan. De huurder verweert zich onder meer met de stelling dat een deel van de huur al door een derde is betaald en dat bovendien de verbintenis tot betaling van de huur is opgeschort. De rechtbank heeft het verzoek tot faillietverklaring afgewezen, omdat volgens haar niet summierlijk is gebleken van het bestaan van het vorderingsrecht van de verhuurder. Het hof denkt daar anders over en verklaart de huurder alsnog failliet. Het overweegt daartoe dat het redelijk en begrijpelijk is dat de verhuurder de betaling van de derde heeft teruggestort en dat summierlijk niet is gebleken van een gegrond beroep op een opschortingsrecht. In cassatie wordt tegen het opschortingsrechtoordeel opgekomen door de huurder, volgens mij tevergeefs. Ook als de huurder wel een opschortingsrecht kan inroepen, blijft staan dat summierlijk is gebleken van het
bestaanvan een vorderingsrecht van de verhuurder. Opschorting raakt immers niet het bestaan van het vorderingsrecht, maar de opeisbaarheid en opeisbaarheid is geen vereiste voor het summierlijk zijn gebleken van het vorderingsrecht in de zin van art. 6 lid 3 Fw Pro. Er is geen sprake van ontbinding en evenmin is beroep gedaan op verrekening. Nu de geconstateerde pluraliteit en het toestandsvereiste in cassatie niet wordt bestreden, ontbreekt belang bij cassatie.
1.
Feiten en procesverloop [1]
1.1 [verzoeker] is, met een ander, vennoot van [A] V.O.F. (hierna: [A] ). [A] exploiteert een horecaonderneming met dansvloer in [plaats] . Sinds 10 december 2010 huurt (onder meer) [verzoeker] in privé van [verweerder] deze bedrijfsruimte waarin [A] zich bevindt. [verzoeker] heeft in of rond 2018 het voornemen opgevat om de bedrijfsactiviteiten van [A] te verkopen aan [B] B.V. (hierna: [B] ). In dat kader heeft op 10 januari 2019 een gesprek plaatsgevonden tussen onder andere [verweerder] , [verzoeker] en de eigenaar van [B] over het huren door [B] van de bedrijfsruimte waarin [A] gevestigd is. Tijdens dit gesprek is ook gesproken over een voorgenomen verbouwing van de bedrijfsruimte van [A] . Later is tussen [verweerder] en [B] onderhandeld over een indeplaatsstelling bij de huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte. [verzoeker] is in of rond maart of april 2019 begonnen met een grootschalige verbouwing van de gehuurde bedrijfsruimte. Sindsdien is [A] gesloten. De verbouwing is niet voltooid, onder meer omdat de gemeente Hengelo tweemaal een bouwstop heeft opgelegd omdat verbouwd werd terwijl niet aan vergunningsvoorwaarden werd voldaan. De gemeente heeft [A] hiervoor dwangsommen van € 50.000 en € 100.000 opgelegd. De dwangsom van € 50.000 is volgens mr. Brusse, advocaat van [verzoeker] in feitelijke instanties, na de beslissing op bezwaar van de gemeente komen te vervallen. Over de andere last onder dwangsom loopt nog een gerechtelijke procedure. De verbouwing is tot op heden niet hervat en [A] is nog steeds gesloten.
1.2 Op 6 augustus 2020 is door [verweerder] bij de rechtbank Overijssel een verzoekschrift ingediend strekkende tot faillietverklaring van [verzoeker] . [verweerder] stelde dat hij uit hoofde van een huurovereenkomst (na indeplaatsstelling) een bedrag van [verzoeker] te vorderen heeft. [verzoeker] is nalatig gebleven om deze vordering te voldoen, ondanks herhaalde sommaties en ingebrekestelling.
1.3 De rechtbank heeft bij beschikking van 2 oktober 2020 het verzoek van [verweerder] afgewezen omdat volgens haar niet summierlijk is gebleken van het bestaan van het vorderingsrecht van [verweerder] .
1.4 [verweerder] is in hoger beroep gekomen tegen de afwijzing van zijn faillissementsverzoek. [verweerder] stelde dat hij inmiddels (ten tijde van de zitting in hoger beroep) een bedrag van in totaal € 74.409,49 van [verzoeker] te vorderen heeft uit hoofde van huurtermijnen en dat wel degelijk summierlijk is gebleken van het bestaan van deze vordering. [verweerder] stelde daarnaast dat [verzoeker] andere vorderingen van schuldeisers onbetaald liet en daarmee verkeerde in de toestand te hebben opgehouden te betalen.
1.5 [verzoeker] verweerde zich met de stelling dat [verweerder] misbruik maakt van faillissementsrecht. [verweerder] heeft al een keer een verzoek gedaan tot faillietverklaring van [verzoeker] vanwege achterstallige huur. Die aanvraag is destijds ingetrokken omdat een bedrag van circa € 36.000,- aan huur is voldaan door [B] ; [verweerder] heeft deze betaling van [B] uiteindelijk niet geaccepteerd en weer teruggestort. [verzoeker] voert aan dat die terugstorting hem niet kan worden tegengeworpen en dat dit deel van de vordering van [verweerder] dan ook moet worden geacht niet meer te bestaan. Op grond daarvan kan niet voor een tweede keer zijn faillissement worden aangevraagd. Ten aanzien van het tweede deel van de vordering van [verweerder] , bestaande uit huurbedragen die nadien verschuldigd zijn geworden, beroept [verzoeker] zich op een opschortingsrecht. [verzoeker] heeft schade geleden doordat [verweerder] weigert informatie over te leggen van de vele (volgens [verzoeker] illegale) verbouwingen die in het verleden in het gehuurde bedrijfspand hebben plaatsgevonden en die nodig is om een constructieberekening te maken en de verbouwing te hervatten. Uit een berekening van de constructeur van [verzoeker] blijkt bovendien dat de gehuurde bedrijfsruimte constructief niet geschikt is en ook in het verleden niet geschikt was voor de exploitatie van een horecaonderneming of discotheek. [verzoeker] betwist verder de steunvorderingen die door [verweerder] zijn opgevoerd. Van de vereiste pluraliteit van schuldeisers en een toestand te hebben opgehouden te betalen, is dus geen sprake, aldus [verzoeker] .
1.6 Het hof heeft het verzoek van [verweerder] bij arrest van 9 november 2020 alsnog toegewezen en daartoe is voor zover in cassatie nog van belang, als volgt overwogen:

Het vorderingsrecht van [verweerder]
3.5 [verzoeker] betwist op zichzelf niet dat hij nog huurbedragen verschuldigd is aan [verweerder] . In zoverre is dan ook summierlijk gebleken van het bestaan van het vorderingsrecht van [verweerder] . [verzoeker] vindt dat de vordering van [verweerder] deels geacht moet worden te zijn voldaan, omdat [verweerder] ten onrechte de betaling van € 36.000,- door [B] heeft geweigerd en teruggestort. [verzoeker] gaat daarbij echter voorbij aan de omstandigheden waaronder deze betaling is gedaan en weer is teruggestort. [verweerder] wil niets (meer) van doen hebben met [B] , terwijl [B] zich tegenover [verweerder] op het standpunt stelt dat er een mondelinge huurovereenkomst tot stand is gekomen die erop neer zou komen dat de huurovereenkomst één op één kon worden overgenomen door [B] , zoals mr. Brusse als advocaat van [B] aan de toenmalige incassogemachtigde van [verweerder] per mail van 9 oktober 2019 heeft meegedeeld. Mr. Brusse heeft vervolgens als advocaat van [verzoeker] in een e-mail van 2 juli 2020 aan dezelfde gemachtigde van [verweerder] geschreven: "
Indien [verweerder] nu stelt niets met [B] van doen te willen hebben, maar toch de betaling van [B] accepteert, kan ik dit niet met elkaar rijmen. Immers als [verweerder] wel de betaling accepteert, wil en heeft hij wel van doen (hebben) met [B] B. V. Als hij werkelijk feitelijk en juridisch gevolg wil geven aan deze stelling, dan moet hij het bedrag terug storten”. De gemachtigde van [verweerder] heeft daarop in een e-mail van 7 juli 2020 geantwoord dat als dit standpunt (dat [verweerder] te maken heeft met [B] ) niet werd herzien, het bedrag zou worden teruggestort en dat dat betekent dat er onmiddellijk weer een opeisbare vordering ontstaat. Onweersproken heeft [verweerder] aangevoerd dat de advocaat van [verzoeker] niet op deze e-mail heeft gereageerd, zodat hij het bedrag heeft teruggestort. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden waaruit blijkt dat de partijen van mening verschilden over het feit of [B] wel of niet als contractspartij te gelden had, dan wel dat slechts sprake was van betaling door een derde, is de terugstorting door [verweerder] van het bedrag dat door [B] is betaald, niet onbegrijpelijk of onredelijk. Anders dan [verzoeker] betoogt, komt de terugstorting daardoor voor zijn rekening en risico en zijn die huurpenningen dus niet al betaald, zoals [verzoeker] heeft betoogd.
3.6 [verzoeker] betwist ook de verschuldigdheid van het tweede deel van de vordering van [verweerder] niet. [verzoeker] beroept zich wel op een opschortingsrecht. Van een gegrond beroep op een opschortingsrecht is het hof echter niet summierlijk gebleken. Allereerst geldt dat het opschortingsrecht tussen partijen contractueel is uitgesloten in artikel 18.1 van de algemene voorwaarden bij de huurovereenkomst. Zou opschorten desondanks al mogelijk zijn, dan geldt dat door [verweerder] gemotiveerd is weersproken dat sprake is van aanzienlijke schade bij [verzoeker] waarvoor [verweerder] aansprakelijk is. De gebreken aan de gehuurde bedrijfsruimte (een gat in de vloer en beschadigingen aan de kolommen van het pand) waardoor de gemeente in november 2019 een bouwstop heeft opgelegd zijn aan het licht gekomen door de sloop- en verbouwingswerkzaamheden door [verzoeker] . Tussen partijen is in geschil of voor deze sloopwerkzaamheden door [verweerder] als verhuurder de vereiste toestemming is verleend. Afgezien daarvan heeft [verweerder] ter zitting aangevoerd dat hij pas vier maanden nadat deze gebreken waren gebleken, waarvoor de gemeente in november 2019 een bouwstop had opgelegd, door [verzoeker] op de hoogte is gesteld van de reden van de bouwstop en de aard van de gebreken en bovendien dat [verzoeker] [verweerder] daarvoor verantwoordelijk hield. [verweerder] heeft ook aangevoerd dat hij vervolgens de aannemer van [verzoeker] om een offerte heeft gevraagd voor het herstel van de gebreken, maar dat daarop niet is gereageerd. Vervolgens heeft [verweerder] zijn eigen aannemer gevraagd om de gebreken te herstellen, maar kon het werk alsnog niet worden uitgevoerd omdat bleek dat [verzoeker] op zijn beurt niet aan de geldende aan hem meegedeelde vergunningsvoorwaarden (een constructieberekening overleggen en meldplicht bij de gemeente) had voldaan. Uit de overgelegde stukken blijkt tot slot dat [verweerder] op 30 oktober 2020 zijn gemachtigde met zijn eigen constructeur wilde laten langskomen om een berekening te maken voor herstel van het gat in de vloer, maar dat [verzoeker] de gemachtigde de toegang heeft geweigerd. Deze gang van zaken heeft [verzoeker] niet weersproken. Uit het vorenstaande volgt dat niet gezegd kan worden dat [verweerder] niet heeft willen meewerken aan het oplossen van de gebreken.
3.7 [verzoeker] verwijt [verweerder] ook dat hij weigert informatie over te leggen over verbouwingen die [verweerder] in het verleden heeft laten uitvoeren. Daardoor kan [verzoeker] geen goede constructieberekeningen (laten) opmaken om de verbouwing te hervatten. [verzoeker] heeft echter onvoldoende concreet toegelicht welke (illegale) verbouwingen in het verleden in opdracht van [verweerder] zouden hebben plaatsgevonden. Daarnaast rechtvaardigt het gestelde niet overleggen van deze informatie op zichzelf nog geen opschorting van de huur door [verzoeker] . Dat de bedrijfsruimte niet geschikt is en ook nooit zou zijn geweest voor de exploitatie van een horecaonderneming of club, is evenmin summierlijk gebleken. De verbouwing in 1988 die in opdracht van [verweerder] is uitgevoerd en waarbij het gat in de vloer is afgedicht, is uitgevoerd op grond van constructieberekeningen die de gemeente destijds heeft goedgekeurd, zo blijkt ook uit de stukken. [verweerder] heeft daarnaast ter zitting onweersproken gesteld dat de beschadigingen aan de kolommen van het pand in 2010 met medeweten en goedkeuring van de gemeente zijn hersteld. Tegenover de gemotiveerde betwisting van [verweerder] van het voorgaande heeft [verzoeker] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden waarvoor [verweerder] aansprakelijk is. Daardoor is niet summierlijk gebleken van een opschortingsrecht dat [verweerder] kan worden tegengeworpen.
Pluraliteit van schuldeisers
3.8 [verweerder] heeft een drietal steunvorderingen genoemd, die [verzoeker] volgens hem onbetaald laat. [o.m. wordt door het hof vastgesteld een andere huurvordering en een vordering voor het legen van afvalcontainers, A-G] Er is dan ook sprake van meerdere schulden die [verzoeker] onbetaald laat, zodat sprake is van pluraliteit van schuldeisers.
3.9 Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat summierlijk is gebleken van het bestaan van het vorderingsrecht van [verweerder] , van pluraliteit van schuldeisers en van een toestand te hebben opgehouden te betalen van de zijde van [verzoeker] nu [verzoeker] meerdere vorderingen onbetaald laat en duidelijk is dat hij deze ook niet kan betalen. […]
Misbruik van bevoegdheid
3.10 Voor zover [verzoeker] zich erop beroept dat [verweerder] misbruik van bevoegdheid maakt door zijn faillissement voor de tweede keer aan te vragen, volgt het hof dit niet. […]
3.11 Dat betekent dat het hoger beroep slaagt, zodat het hof het verzoek van [verweerder] zal toewijzen en [verzoeker] in staat van faillissement zal verklaren.”
1.7 [verzoeker] is tijdig in cassatie gekomen en is daarin (als failliet) ontvankelijk [2] , [3] . In het cassatierekest is een voorbehoud gemaakt wegens het ontbreken van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep. Per brief van 17 december 2020 heeft de advocaat van [verzoeker] laten weten dat de inhoud van het proces-verbaal geen reden geeft voor het indienen van een aanvullend verzoekschrift. De advocaat van [verweerder] heeft tijdig, na een verleend uitstel, een verweerschrift ingediend.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het verzoekschrift tot cassatie bevat vier onderdelen. De eerste drie onderdelen zijn gericht tegen rov. 3.5, 3.6 en 3.7 en het vierde onderdeel bevat een voortbouwende klacht.
2.2
[verzoeker] klaagt in het eerste onderdeel dat het hof in rov. 3.5 onjuist dan wel onvoldoende begrijpelijk heeft geoordeeld dat de terugstorting door [verweerder] – gelet op de omstandigheden – van het door hem van [B] ontvangen bedrag niet onbegrijpelijk of onredelijk is en dat de terugstorting daardoor voor rekening en risico van [verzoeker] moet komen. Dit betreft een bedrag van circa € 36.000 dat overeenkomt met – naar ik uit de stukken begrijp [4] – de huurpenningen van de maanden januari t/m juni 2020. Het hof duidt dit aan als ‘het eerste deel’ van de vordering.
2.3
Het derde onderdeel bevat klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 3.6 en 3.7 dat – samengevat – niet summierlijk is gebleken dat [verzoeker] jegens [verweerder] een beroep op een opschortingsrecht kan doen. In het tweede onderdeel, met in het vizier rov. 3.5, klaagt [verzoeker] dat het hof heeft miskend dat het opschortingsverweer ziet op zowel de huurpenningen van de maanden januari t/m juni 2020 (zie onderdeel 1) als op de huurpenningen van de maanden daarna (het hof duidt dit aan als ‘het tweede deel’ van de vordering). Ik start met de bespreking van onderdeel 3, omdat ook als wel een opschortingsrecht voor [verzoeker] zou komen vast te staan, dit geen afbreuk kan doen aan diens faillietverklaring in dit geval. Dat zit zo.
Onderdeel 3: opschorting
2.4
Het hof overweegt in de eerste twee zinnen van rov. 3.6 – niet voldoende kenbaar bestreden in cassatie – dat [verzoeker] de verschuldigdheid van de huurpenningen (van ná juni 2020) niet betwist, maar dat [verzoeker] zich wel beroept op een opschortingsrecht. Met andere woorden: ter afwering van de faillissementsaanvraag beroept [verzoeker] zich op opschorting van zijn betalingsverplichting die tegenover de verplichting tot het verschaffen van huurgenot door [verweerder] staat (vgl. art. 6:262 BW Pro). Vaststaat dat de huurovereenkomst niet is ontbonden. Dit geeft aanleiding tot de volgende beschouwing.
2.5
[verweerder] verzoekt als schuldeiser het uitspreken van het faillissement van zijn schuldenaar [verzoeker] (art. 1 lid 1 Fw Pro). Indien het faillissement wordt aangevraagd door een schuldeiser moet summierlijk van zijn vorderingsrecht blijken (art. 6 lid 3 Fw Pro). Dit is een voorwaarde voor het uitspreken van de faillietverklaring [5] . Indien het bestaan van de vordering van de schuldeiser niet summierlijk komt vast te staan, moet al op die grond de aanvraag worden afgewezen en kan verder onderzoek achterwege blijven [6] .
2.6
De achtergrond van het summierlijk moeten blijken van het vorderingsrecht van de schuldeiser is dat het voor een zo ingrijpende maatregel als faillissement moet gaan om een schuldeiser met een werkelijke vordering [7] . Bovendien zou zonder een dergelijke vordering belang van de aanvrager bij de faillissementsaanvraag ontbreken (vgl. art. 3:303 BW Pro). Indien van het bestaan van de vordering van de schuldeiser niet summierlijk blijkt, is het faillissement niet bevoegdelijk aangevraagd [8] en volgt niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek [9] . Het is in zo’n situatie aan andere schuldeisers om zo nodig het faillissement uit te lokken [10] .
2.7
De wetgever wilde met de woorden ‘summierlijk blijkt’ vooral de bewijslast van de aanvragende schuldeiser verlichten wanneer de schuldenaar bezwaren van allerlei aard zou opwerpen [11] . Voorkomen moest worden dat een faillietverklaring, waartoe overigens alle voorwaarden aanwezig zijn, op de lange baan kon worden geschoven “door allerlei excepties en chicanes, die zich steeds zonder moeite laten vinden” [12] . ‘Summierlijk blijken’ betekent dat de vordering na een kort, eenvoudig onderzoek moet blijken [13] . Het is nodig maar ook voldoende dat van
het bestaan vande vorderingen summierlijk is gebleken [14] . De rechter is hier niet gebonden aan de gewone regels van bewijsrecht [15] . Het resultaat moet echter wel zijn dat het gestelde voor de rechter voldoende komt vast te staan [16] . Het ‘summierlijk blijken’ brengt mee dat de rechter in de beoordeling van al wat bij de behandeling ter sprake komt in beginsel geheel vrij is [17] .
2.8
Het is niet vereist dat het vorderingsrecht van de verzoekende schuldeiser
opeisbaar is of naar omvangvaststaat [18] , [19] . Bij niet-opeisbaarheid van de vordering van de verzoekende schuldeiser is wel nodig dat een steunvordering opeisbaar is, omdat anders geen sprake is van een toestand dat de schuldenaar heeft opgehouden te betalen [20] . De term opeisbaar is hier in ruime zin op te vatten [21] en betekent dat de schuldenaar nog niet hoeft te presteren, maar dat de verbintenis al wel moet bestaan (vgl. 6:38 BW) [22] .
2.9
Het inroepen van een
opschortingsrechtkomt wat dat betreft op hetzelfde neer: de schuldenaar hoeft bij succesvolle inroeping nog niet te presteren. Opschorting tast
niet het bestaanvan de verbintenis van de schuldenaar aan, maar alleen de opeisbaarheid [23] . De hantering van het opschortingsrecht leidt op zichzelf dus
niet tot het vervallenvan de verbintenis van de opschortende partij [24] . Betaling ondanks de opschortingsbevoegdheid is dan ook niet onverschuldigd [25] .
2.1
Voor onze zaak betekent dit het volgende. Opschorting door [verzoeker] van de door hem erkende verbintenis tot betaling van de huurpenningen van ná juni 2020 zal
nietleiden tot het tenietgaan van deze verbintenis [26] , zodat het vorderingsrecht van [verweerder] voor deze huurpenningen blijft bestaan [27] . Aan het vereiste van art. 6 lid 3 Fw Pro dat summierlijk moet blijken van het vorderingsrecht van de verzoekende schuldeiser, is daarmee voldaan. De reeks van klachten in onderdeel 3 ketsen dus af op een gebrek aan belang [28] , omdat die niet kunnen resulteren in het oordeel dat niet summierlijk is gebleken van deze (al dan niet terecht opgeschorte) vordering.
2.11
Dat betekent vervolgens dat zelfs als onderdeel 3 zou slagen, dit niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden arrest waarin [verzoeker] failliet is verklaard. Ook dan blijft immers aan alle voorwaarden voor faillietverklaring voldaan, omdat ook dan summierlijk is gebleken van:
- het bestaan van de vordering van [verweerder] (rov. 3.6 en 3.7, huurpenningen van ná juni 2020, zo volgt uit deze bespreking van onderdeel 3);
- pluraliteit van schuldeisers (rov. 3.8, onbestreden); en
- een toestand te hebben opgehouden te betalen (rov. 3.9, onbestreden).
2.12
De hele klachtenreeks van onderdeel 3 gaat kennelijk uit van de impliciete gedachte dat als het opschortingsrecht vast zou staan, er niet summierlijk zou zijn gebleken van een vordering in de zin van art. 6 lid 3 Fw Pro. Die gedachte vindt geen steun in het recht, zo volgt uit de voorafgaande bespreking. In zoverre is de conclusie in de laatste zin van onderdeel 3 dat het hof “op basis van het voorgaande” (dus de klachtenreeks over het niet aannemen van een
opschortingsrecht) net als de rechtbank had moeten concluderen dat van het
bestaanvan de vordering van [verweerder] niet summierlijk was gebleken, te kort door de bocht en als gezegd kennelijk gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting. Er is niet ontbonden, de huurovereenkomst bestaat nog, dat de betaling van de huurpenningen al dan niet terecht is opgeschort kan hier geen afbreuk doen aan het summierlijk blijken van het bestaan van de vordering terzake in de zin van art. 6 lid 3 Fw Pro. Er is ook geen beroep op verrekening gedaan. Ten overvloede: ook voor zover in 2.3 van het cassatierekest (dat bij onderdeel 2 eveneens helemaal in de sleutel staat van het opschortingsrecht) de klacht besloten zou moeten liggen dat de hele vordering wordt betwist, kan dat niet slagen, omdat ook het betoog van dat onderdeel volledig in de sleutel staat van opschorting en dat is nu eenmaal geen wijze van teniet gaan van een vordering.
Onderdelen 1, 2 en 4: terugbetaling, ook opschorting ‘eerste deel’ en voortbouwende klacht
2.13
De klachten van onderdelen 1 en 2 die zien op rov. 3.5 en de vermeende betaling [29] , althans vermeende opschorting van de verplichting tot betaling van de huurpenningen van de maanden januari 2020 t/m juni 2020, behoeven geen bespreking, omdat ook daarbij geen belang bestaat [30] . Het slagen daarvan zou niet afdoen aan het vast blijven staan van de summierlijk gebleken vordering uit hoofde van de latere huurpenningen zoals hiervoor besproken (en de onbestreden pluraliteit en het evenmin bestreden toestandsvereiste). Ook de voortbouwende klacht van onderdeel 4 behoeft bij deze stand van zaken dan geen bespreking.

3.Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De feiten zijn ontleend aan rov. 3.1 van het bestreden arrest: Hof Arnhem-Leeuwarden 9 november 2020, zaaknummer 200.284.183 en aan de beschikking in eerste aanleg: Rb. Overijssel 2 oktober 2020, zaaknummer 252608 FT RK 20.466. Het procesverloop is gebaseerd op rov. 3.1-3.3 van het bestreden arrest en de (ongenummerde) beschikking.
2.Cassatieberoep staat open voor iedereen die partij is geweest bij de procedure voor het hof, dus ook voor de schuldenaar (Polak/Pannevis, Insolventierecht 2017, par. 3.14.9). Groot spreekt over degene die partij is geweest bij de uitspraak, o.a. de schuldenaar (Groot, Faillissementsprocesrecht (R&P nr. InsR16) 2020/3.6.4), erop wijzend dat de term ‘arrest’ in art. 12 lid 1 Fw Pro ziet op alle door het hof krachtens art. 8 tot Pro en met 11 Fw gegeven uitspraken, aldus HR 19 mei 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6256, NJ 1978/528 m.nt. B. Wachter (
3.De door het hof aangestelde curator is op 18 november 2020 door de griffie van de Hoge Raad bij brief in kennis gesteld van het cassatieberoep.
4.Hoger beroepschrift [verweerder] , onder 17-19 en productie 1 [verweerder] in hoger beroep (er is niet doorgenummerd).
5.HR 10 december 1954, ECLI:NL:HR:1954:123, NJ 1955/538 m.nt. J.H. Beekhuis (
6.Polak/Pannevis, Insolventierecht 2017, par. 3.3 en J.W.A. Biemans, in: Schreurs, Kerstens & Rikkert (red.), De curator en het faillissementsproces(recht) 2020/2.2, beiden met een verwijzing naar HR 7 december 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC0075, NJ 1980/216 (
7.Zie de conclusie van A-G Loeff vóór het arrest HR 10 december 1954, ECLI:NL:HR:1954:123, NJ 1955/538 m.nt. J.H. Beekhuis (
8.De bevoegdheid tot het aanvragen van het faillissement volgt uit de hoedanigheid van schuldeiserschap, vgl. HR 24 mei 1918, NJ 1918, p. 628 (
9.J.H.L. Beckers, GS Faillissementswet, art. 6 Fw Pro, aant. 5. Vgl. ook Van der Feltz I 2016, p. 272.
10.R.D. Vriesendorp, Insolventierecht 2013/137.
11.Polak/Pannevis, Insolventierecht 2017, par. 3.4.
12.Van der Feltz I 2016, p. 270 (MvT).
13.Polak/Pannevis, Insolventierecht 2017, par. 3.4. Vgl. Wessels, Faillietverklaring (Wessels Insolventierecht nr. I) 2018//1195: “Uit de rechtspraak volgt de regel dat (het bestaan van) de vordering aannemelijk moet worden gemaakt.”
14.HR 26 augustus 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0371, NJ 2003/693 (
15.Van Buchem-Spapens & Pouw, Faillissement, surseance van betaling en schuldsanering (Mon. Pr. nr. 2) 2018/II.2. Vgl. HR 19 september 1919, NJ 1919, p. 987 (
16.Wessels, Faillietverklaring (Wessels Insolventierecht I) 2018/1208.
17.Wessels, Faillietverklaring (Wessels Insolventierecht I) 2018/1206. Zie ook de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2011:BO9567) vóór HR 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9567 (art. 81 RO Pro), punt 2.2 en de conclusie van A-G Rank Berenschot (ECLI:NL:PHR:2020:567) vóór HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1855 (art. 81 RO Pro), punt 2.6.
18.HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0079, NJ 1991/216 (
19.Ook voordat de Faillissementswet in 1893 werd ingevoerd is dit al uitgemaakt door Uw Raad m.b.t. het toenmalige art. 766 K in een beschikking van 7 maart 1884 (vindplaats: J. van den Honert, Van den Honert’s verzameling van arresten van den Hoogen Raad der Nederlanden, 1885, p. XXI-XXVI).
20.HR 20 juli 1916, ECLI:NL:HR:1916:81, NJ 1916, p. 1096 (
21.Vgl. Asser/Sieburgh 6-I 2020/242 over het begrip ‘niet-opeisbaar’.
22.Vgl. Mijnssen, Verbintenissen tot betaling van een geldsom (Mon. BW nr. B39) 2017/17.2 (p. 41): “Alleen van een opeisbare verbintenis kan nakoming worden gevorderd en kan sprake zijn van tekortschieten in de nakoming ervan. Een verbintenis is terstond, dit wil zeggen bij haar ontstaan, opeisbaar tenzij een tijdstip voor nakoming is bepaald, zie art. 6:38 BW Pro. Een ander tijdstip kan ook voortvloeien uit hetgeen wet of de gewoonte, dan wel de redelijkheid en billijkheid, eisen.”
23.Asser/Sieburgh 6-I 2020/287, onder verwijzing naar HR 2 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB8146, NJ 1991/23 (
24.Asser/Sieburgh 6-III 2018/714, waar onder verwijzing naar rechtspraak van Uw Raad wordt toegevoegd dat de opschortende partij zich zal moeten uitspreken over de vraag welke van de haar ten dienste staande bevoegdheden zij wil uitoefenen (zoals ontbinding, verlangen van nakoming of schadevergoeding, of een combinatie hiervan). In onze staat vast dat niet is ontbonden. Er is ook geen beroep op verrekening gedaan.
25.Asser/Sieburgh 6-I 2020/287, onder verwijzing naar Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 208 en 995 en F. Brandsma, De exceptio non adimpleti contractus en de condictio indebiti. Betaalt degene die een opschortingsrecht had kunnen inroepen, maar dat niet doet, onverschuldigd als de tegenprestatie uitblijft?, Groninger Opmerkingen en Mededelingen XXVII, 2010, p. 147-162.
26.Verbintenissen gaan wél teniet door nakoming, verrekening, de werking van een ontbindende voorwaarde, afstand, vermenging en de werking van een vervaltermijn, vgl. De Jong, Krans & Wissink, Verbintenissenrecht algemeen (SBR 4) 2018/283 en de in Wessels, Faillietverklaring (Wessels Insolventierecht nr. I) 2018/1200 onder (o) genoemde uitspraak Rb. Limburg 13 maart 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:2657, rov. 2.4: “[…] De rechtbank is van oordeel dat de schuldenaar onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat zij in ieder geval de verschuldigdheid van een gedeelte van de vordering heeft erkend […] Verder doet aan het oordeel niet af dat de discussie over de vordering van schuldeiser na de mededelingen door [naam medewerker] is doorgegaan, zoals de schuldenaar aanvoert. De schuldenaar beroept zich immers op een opschortingsrecht, maar niet op verrekening van het schuldig erkende bedrag […].” Ook ontbinding van de huurovereenkomst is in onze zaak als gezegd niet aan de orde.
27.Vgl. al HR 5 februari 1909, W 8813 (
28.Zie in gelijke zin ook verweerschrift 26. Zie over belang bij cassatie B.T.M. van der Wiel en N.T. Dempsey, in: Van der Wiel (red.), Cassatie, 2019/197 e.v. en Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/47-50.
29.Overigens wijs ik ten overvloede nog op een arrest waarin een weigering tot het ontvangen van een betaling aan de orde was en waar het redelijke belang bij die weigering centraal werd gesteld door Uw Raad: HR 14 december 1934, NJ 1935, p. 95; m.nt. E.M. Meijers (
30.Zie ook verweerschrift 44 en 46-47. Vgl. W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2018, p. 95.