Uitspraak
kantoorhoudende te Utrecht,
gevestigd te Hilversum,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel van [A] en het middel van PSH
(i) Het in aanmerking te nemen herinvesteringsvoornemen van Drafcentrum
4.Beslissing
29 januari 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen de curator van [A] B.V. en PSH over de aansprakelijkheid van PSH als verkoper van aandelen in Drafcentrum B.V. met betrekking tot een garantie over de herinvesteringsreserve volgens art. 3.54 Wet IB 2001. Na onteigening van een renbaan en vorming van een herinvesteringsreserve ontstond discussie over het bestaan en de omvang van het herinvesteringsvoornemen en de fiscale gevolgen daarvan.
Het hof had PSH veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding, waarbij het oordeelde dat PSH het risico droeg voor het bestaan van de herinvesteringsreserve en dat de koper [A] het risico droeg voor fiscale gevolgen van art. 15e Wet Vpb. De Hoge Raad vernietigt dit arrest omdat het hof ten onrechte sommige investeringsvoornemens buiten beschouwing liet en onvoldoende motivering gaf over de omvang van de herinvesteringsreserve.
De Hoge Raad benadrukt dat het herinvesteringsvoornemen ook investeringen binnen de wettelijke termijn moet omvatten, dat de boekwaarde van het vervreemde goed in aanmerking moet worden genomen, en dat de uitleg van de garanties in de koopovereenkomst correct is. De zaak wordt verwezen naar het hof ’s-Hertogenbosch voor nader feitelijk onderzoek naar causaliteit en schade- en voordeelberekening.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak verwezen voor nader feitelijk onderzoek naar causaliteit en schade.